28 maart 1925. De voorzitter gaf lezing van het verslag dat de koninklijke ambassadeur te Londen aan onze Minister van Buitenlandse Zaken gedaan had betreffende het ontwerp vanwege het Engels comité ‘Ypres Memorial Church’ tot het oprichten van een Anglicaanse kerk in Ieper. Volgens de tekeningen en zichten in bijlage, opgemaakt door sir Reginald Blomfield zou de kerk boven de Rijselpoort opgericht worden ten einde deze in onmiddellijke verbinding te brengen met een van de schoonste Britse kerkhoven nabij de Rijselpoort en bekend onder de naam van ‘Rampart Cemetry’. Men zou aan de kerk het algemeen karakter van een poortgebouw geven zoals de 16e- en 17e-eeuwse poorten in Frankrijk en België en de waterpoorten in Holland. Een galerie aan de kant van de stad zou toelaten van aan de ene kant van de vestingen naar de andere over te gaan. De materialen die men voorstelde te gebruiken waren rode Belgische bakstenen en steen van Euville.
De voorzitter verklaarde dat het schepencollege de plannen onderworpen had aan het advies van de technische dienst van de stad die ondertussen al zijn advies had uitgebracht. Ingenieur-architect J. Coomans deelde mee dat de doorgang van de Rijselpoort diende als verbindingspoort van het noorden van Frankrijk naar de Belgische kust en dat de nauwe doorgang nu al een ernstige handicap was voor een vlotte doorgang van het verkeer. De constructie van het Engels bouwwerk zou voor altijd een mogelijke verbreding van de poort onmogelijk maken. Hij stelde voor om het voorziene gebouw zestig meter verder op te trekken, op een terrein dat gevormd werd door de ronde der binnenwandeling, onderweg tussen de Rijselpoort en de Menenpoort. Het monument zou daar in een kader van beplanting een nieuwe en erg attractieve site vormen.
Het advies van Coomans was er de reden van dat het schepencollege zich niet kon aansluiten bij het voorstel om de kapel te laten oprichten boven de Rijselpoort en het was van mening dat er een andere plaats zou moeten aangeduid worden. De meest ideale plaats was de grond van het voormalige voedermagazijn die ook in de nabijheid van een van de grootste Britse kerkhoven lag. Diverse leden van de gemeenteraad meenden dat de kerk boven de Rijselpoort het schoon uitzicht van de vestingen zou schenden. En ook de rode baksteen zou volledig uit de toon van de rest vallen. Andere leden waren van mening dat de Rijselpoort in zijn huidige toestand diende bewaard te worden omdat ze haar geschiedenis had en door schilder Pauwels afgebeeld was in zijn werk over ‘Het Beleg van Ieper’. Het zou dus een miskleun zijn om die poort nu een ander uitzicht te geven. Schepen Sobry meende niet dat de Rijselpoort en de Menenpoort te nauw waren en dat de stad er geen belang bij had om het ontwerp af te keuren. Ieper kon de Engelsen proberen te bewilligen om de kerk ergens anders te plaatsen, maar men zou ze moeten vrijlaten.
Anders kon het gebeuren dat het geschenk aan de stad zou kunnen ontnomen worden. Na de uiteenzetting van de verscheidene gedachten verklaarde het gemeentebestuur dat de bevolking van Ieper gelukkig zou zijn om de Engelsen hun kerk te zien bouwen in hun stad. Maar wel dat er vanuit esthetisch, technisch en historisch oogpunt redenen bestonden om zich te verzetten tegen de bouw van een kerk of kapel boven de Rijselpoort. De gemeenteraad adviseerde met negen stemmen tegen een en een onthouding dat het ontwerp van de Anglicaanse kerk die de stad Ieper begeerde te zien verwezenlijken op een andere daartoe beter geschikte plaats diende uitgevoerd te worden. Bijvoorbeeld op de plaats die aangeduid was door de ingenieur-bouwmeester Coomans of op de grond van het oud voedermagazijn gelegen in de Elverdingestraat of op gelijk welke andere plaats in overleg met het Engels comité.
Dit is een fragment uit Boek 1925-1945 van De Grote Kroniek van Ieper


