Tussen de proosdij van Sint-Maartens en het Ieperse schepencollege bleven er regelmatig strubbelingen opduiken. Zo had de wet in Ieper twee jaar geleden nog een klerk van Sint-Maartens uit de stad verbannen. Maar hertog Filips de Stoute had die uitspraak ongedaan gemaakt. Maar toch waren dit maar kleine problemen, de strijd zou weldra andere allures aannemen. In die tijd was Ieper teruggevallen op niets en het was bij momenten niet eens duidelijk wie hier nu de stad bestuurde.
Dat kwam vooral omdat de magistraten bang waren voor hun postjes en het niet eens aandurfden om kwaaddoeners aan te pakken. Best wel een voedingsbodem voor nieuwe conflicten. Zo had de wet van Ieper op 3 april 1411 het recht om accijnzen te heffen afgekocht van Jan zonder Vrees die Ieper trouwens ook voorzien had van een schutskring van een mijl rond de stad waar geen drank mocht geserveerd worden.
Met uitzondering van de tavernes die zich situeerden in de nabijheid van de kerkhoven van de parochiale kerken en eveneens in de drie locaties van ‘ten Wielkinne’ (op de weg van Ieper naar Brugge), te ‘Sint Loys’ (op de weg Ieper Mesen) en te ‘Peelkem’ of de ‘Pelekin Lindikin’ op de route tussen Ieper en Diksmuide. Inbreuken op deze reglementen mochten bestraft worden met een boete van 10 ponden en het aangebroken vat moest uitgegoten worden aan de voordeur, in het bijzijn van de baljuw en twee schepenen.
Op een bepaalde dag in 1420 was baljuw Gilles Walin – op vraag van de schepenen – binnengegaan in de woning van een zekere Merlin Quentin, gelegen buiten de stad en het schependom, maar wel effectief binnen de heerlijkheid van Sint-Maartens. Hij had er een ton bier aangetroffen en had die in de aanwezigheid van twee schepenen laten leeglopen op de vloer.
De proost van Sint-Maartens diende meteen klacht in tegen de schepen en de baljuw. Ze wezen hem er netjes op dat ze verplicht waren om het toegestane privilege van de hertog te respecteren waardoor ze hem toch een beetje konden kalmeren en ze wezen de proost er op dat zijn waardige voorgangers het nooit zouden aangedurfd hebben om de Ieperse wet aan te vallen.
Proost Nicolas Zoudelin repliceerde dat zijn voorgangers allen burgers van de stad geweest waren en daardoor nooit niets hadden willen ondernemen tegen de goede mensen van de stad met we ze goed bevriend waren, maar dat die vlieger niet voor hem opging en dat hij absoluut een correctie wilde. Hij werd in zijn wraakzucht opgejut door Jan van den Hille, de pastoor van Sint-Pieters, meester Jacques van der Muelne en zijn kanunniken die hem daarmee een slechte raad gaven.
Zoudelin ging dus verder op de weg van het conflict. Hij bleef zich baseren op de privileges toegekend door graaf Robrecht van Bethune en bevestigd door de heilige stoel, privileges die exclusieve rechten toestonden aan het kapittel voor wat betrof alle kwesties die zich in zijn heerlijkheid afspeelden. Hij drong aan om zijn zaak te komen verdedigen voor de Raad van Vlaanderen te Gent om daar de magistraten van Ieper effectief aan te klagen om hun gedrag.
En die laatsten wilden zich nu op hun beurt wreken. Ze lieten een voor de kerk erg nadelig plakkaat verschijnen dat elke burger die woonde binnen de heerlijkheid van de kerk voor de feestdag van Sint-Bavo de tienden op zijn eigendommen moest vereffenen op straffe van bij niet tijdige betaling het poorterschap van de stad te verliezen.
En daar bleef het niet bij! Geen enkele persoon in de stad mocht nog iets gaan drinken in het klooster of er wijn nuttigen. Niemand mocht nog enige erfelijke rente betalen aan de kerk tenzij de proost daartoe voldoende bewijsschriften kon voorleggen. En de Ieperlingen van binnen of buiten de stadsmuren die leningen hadden lopen ten gunste van de kerk moesten hun onderpanden hiertoe laten registreren door het stadsbestuur. Vervolgens pikten de magistraten al het water dat de mensen van de kerk gewoonlijk gebruikten. Dat ging zo ver dat de burgers die gebruik maakten van de diensten van Sint-Maartens zich uit vrees voor represailles en extra maatregelen van hen begonnen te distantiëren.
In deze toestand beriepen beide partijen zich nu op de wetgeving van de drie andere Leden van Vlaanderen, zijnde Gent, Brugge en het Brugse Vrije. Ze vroegen allebei hulp of bijstand. De zaak liep inderdaad de spuigaten uit, vooral rekening gehouden met het feit dat proost Zoudelin de opperste priester – de overprochiepape – van de stad was. De drie Leden stuurden elf gedeputeerden om het conflict op een vreedzame manier op te lossen.
Na een uitgebreide consultatie bij beide partijen kwamen ze tot een regeling. De aan Sint-Maartens toegekende privileges bleven onverkort gehandhaafd en de wet van Ieper kon niet de minste rechten laten gelden binnen de heerlijkheid van de proosdij en dus bleef de patstelling tussen beide partijen feitelijk overeind. De proost toonde zich nu wel bereid om geen enkele drankgelegenheid meer toe te laten binnen een mijl van de stad, op het land dat aan zijn heerlijkheid toebehoorde en dus sloot hij zich vrijwillig aan bij het reglement van de stad.
De wetsheren van Ieper zouden op hun beurt alle getroffen maatregelen tegen de proosdij laten vallen en ze waren bereid om de toestand van voor het conflict terug te draaien. De proost van zijn kant zou het proces laten vallen, alle klachten werden nu als nihil en onbestaande beschouwd en de partijen beloofden om in goede vrede met elkaar samen te leven. Deze beslissing werd afgesproken op 27 oktober 1421 en werd ingeschreven in de registers van Gent, Brugge en het Vrije.
De gedeputeerden waren er dankzij hun behendigheid in geslaagd de partijen te verzoenen maar waren wel niet in staat om de wederzijdse rechten en privileges die zowel de kanunniken als de schepenen ontvangen hadden van de graven met elkaar in overeenstemming te brengen. De enige persoon die daaraan schuld had, was wijlen hertog Jan zonder Vrees die uit geldnood bepaalde rechten die toebehoorden aan de Ieperse wet nu verkocht had aan het kapittel. Dankzij de energetische aanpak van proost Zoudelin zou Sint-Maartens tijdens zijn bestuur niet langer gehinderd worden door het stadsbestuur.
Dit is een fragment uit Boek 1381-1528 van De Grote Kroniek van Ieper


