Woensdag 8 maart 1916. De laatste strijd bij Ieper woedde om het bezit van een loopgraaf aan het kanaal naar Komen, bij Hollebeke. Het hoekje was in Vlaanderen welbekend. Het lag bij herberg ‘De Nieuwe Vaart’, voor de oorlog bewoond door de heer De Vos die best wel goede zaken deed toen honderden en honderden nieuwsgierigen uit Ieper en de naburige gemeenten naar het ingestorte kanaal kwamen kijken. Want het kanaal Ieper-Komen had een ongelukshistorie. Wegens het heuvelachtig terrein moest men het door een tunnel leiden en de tunnel stortte in. Veel later kwam er weer leven in de hoek, die men na de ramp in zijn doodse eenzaamheid gelaten had. Men zou het kanaal door een nieuw soort sluis bevaarbaar maken. Maar een oeverafschuiving en verzakkingen brachten alles weer in de war.
De communiqués spraken van een moerassige hoogte op het strijdtoneel. En juist die hoogte die wel op een reusachtige papachtige massa leek, zonk onzichtbaar, langzaam maar zeker in het dal en veroorzaakte daar de ongelukken aan het kanaal dat maar nooit afgewerkt kon worden. Aan de overzijde stond het kasteel van mevrouw Mahieu, de weduwe van een Franse officier. Haar zoon die als eerste de vlucht Parijs-Brussel en terug waagde, maar één keer moest dalen en wiens record door de Nederlander Wijnmalen verbroken werd, diende nu in het vliegwezen. De betwiste loopgraaf lag tussen Hollebeke en de Verbrande Molen, het lief gehucht waar men in vredestijd de molen van Desmytere zag draaien.
Natuurlijk werd er op een grotere lijn gestreden van Vierstraat tot Boezinge, zo legde het communiqué uit. Er waren twee Vierstraten kort bij elkaar, de Grote en de Kleine, zo genoemd naar het uithangbord van twee herbergen. De eerste aan het kruispunt van de wegen Ieper-Kemmel en Wijtschate-Poperinge – vier straten dus – en de tweede waar twee binnenwegen elkaar sneden. En het waren dus uithangborden van herbergen die beroemd werden. Dat had de weduwe Carrijn die de herberg ‘De Groote Vierstrate’ en de erbij horende hoeve wel nooit kunnen vermoeden. Och, het waren vaak verschillende namen voor bijna hetzelfde terrein.
De Vierstraat grensde aan het zo vaak genoemde Sint-Elooi, het gehucht op de hoogte aan ”t Gescheê’ – het scheiden – van de wegen Ieper-Mesen en Ieper-Waasten. Vierstrate, Sint-Elooi, Verbrande Molen, Hollebeke en nog andere punten als de ‘Verdronken weeën’, de vijver van Zillebeke en die van Dikkebus waar Ieper het water van trok, Sint-Jan, Pilkem, het waren alle de vooruitgeschoven werken van de zo begeerde stad, die – hoewel vernield – in de handen van de geallieerden bleef.
En terwijl ik deze tekst schreef, was het carnaval. En carnaval te Ieper, dat betekende wat! Dan kwamen de boerenzoons en deernen van vijf uren in het rond naar de stad. Woensdag, Aswoensdag, hield men te Ieper de grote ‘peerdenfeeste’, een prijskamp voor paarden die uit de hele omtrek opgetooid naar de stad werden geleid. Zaterdag aanstaande, marktdag was Ieper de verzamelplaats van boerenknechten en meiden en zondag vierde men de kleine en acht dagen later de grote ‘Kattefeeste’. Met halfvasten werden de feestelijkheden afgesloten. Het Kattenfeest was een zonderlinge naam voor foor of kermis. Die naam had men uit de geschiedenis behouden.
Toen de Ieperlingen nog heidenen waren, aanbaden ze o.a. katten. Maar bij het aannemen van de christelijke leer verzaakten ze natuurlijk aan die verering. En om te tonen dat ze het ernstig meenden, lieten ze tijdens de vasten een kat in een zak van de toren werpen. Het spreekt vanzelf dat daarbij feest gevierd werd. Zo ontstond het Kattenfeest. De kattenmoord werd gehandhaafd tot in het begin van de 19e eeuw. Eindelijk schafte men het barbaars gebruik af. Maar het feest, de kermis bleef in gebruik en ook de naam. Met weemoed zouden de rondgestrooide Ieperlingen in deze dagen wel weer aan hun verwoeste stad denken.
Dit is een fragment uit Boek 1916-1917 van De Grote Kroniek van Ieper


