banner
jan 6, 2025
174 Views
Reacties uitgeschakeld voor Pijn aan het hart

Pijn aan het hart

Written by
banner

Vrijdag 15 januari 1915. Men schreef ons van Vlaamse zijde: heden kreeg ik het bezoek van een Vlaamse geestelijke uit de omgeving van Ieper. We hadden een uurtje gepraat over de bekende streek en het was telkens of ik de bekoorlijke hoppevelden van Poperinge en Ieper zo voor me zag, met die levendige dorpen. Maar ik hoorde nu van veel lijden, van veel wee. Hij verbleef te Reningelst, van bij de aankomst van de Duitsers tot tegen Kerstdag, vertelde mijn gast en hij had er heel wat meegemaakt. Begin oktober kwamen de Duitsers in Reningelst. De eersten waren braaf. Veel dorpelingen vluchtten. De soldaten die bij ons kwamen, zegden: ‘ge gaat toch niet vluchten zeker? Wij doen niemand kwaad!’. En dat waren we dus niet van plan.

De volgende dag kwamen anderen en die waren niet zo welwillend. Ze drongen in de verlaten woningen en plunderden ze. Te Westouter hadden ze de veldwachter gefusilleerd. Het was op het laatste van de hoppepluk en dan was er bij ons veel vreemd volk. De veldwachter ging rond en zei overal tot die mensen dat de Duitsers in aantocht waren en dat ieder zich rustig en kalm moest houden, dat niemand mocht schelden of roepen en al zeker geen geweld mocht gebruiken. De man deed dus zijn plicht. Op zijn ronde ontmoette hij Duitsers en die vroegen hem wie hij was. Hij toonde dat hij gewapend was omdat hij van de politie was. De soldaten grepen hem dadelijk vast.

Bij het gezelschap bevond zich een gewonde soldaat en daar zou hij nu voor boeten. Ze sleepten hem mee naar de dorpsplaats en haalden de burgemeester er bij. Ze bonden de veldwachter aan het hek van het kerkhof en schoten hem dood onder de ogen van zijn vrouw en een dochtertje van veertien jaar. Ook een zekere persoon uit Waasten werd gefusilleerd. Uit een klein kasteeltje vuurden enkele Belgische vrijwilligers op de Duitsers. Ze werden verdreven en toen ze vroegen van wie het gebouw was, wezen de inwoners in de richting van een man uit Waasten. Ze lieten hem ophalen en schoten hem dood. Te Reningelst bezat hij enkele hoeven en daar hadden ze voor hem ook een lijkdienst gehouden die door zijn pachters en ander volk bijgewoond werd. Maar een lijkmaal werd nu natuurlijk niet gehouden.

De Duitsers namen dan hun stellingen tussen Ieper en de Leie in. En daar lagen ze nu nog altijd. We kregen op ons dorp een stroom van vluchtelingen, mannen, vrouwen en kinderen van Wijtschate, Passendale, Poelkapelle en Langemark. Op sommige hoeven waren er wel honderd onder één dak. De boeren gaven hen eten, drinken en slaping voor niets. Dat kon natuurlijk niet blijven duren. De boeren zegden dat honderd te veel was, dertig of veertig was al meer dan genoeg. En nog altijd waren er hoeven waar nu al zoveel weken tot veertig vluchtelingen geherbergd werden. Het volk had zich van zijn schoonste zijde getoond. We hadden natuurlijk ook veel soldaten. Fransen en Britten. Ze logeerden in openbare gebouwen en in de huizen. We hadden voor ons eigen gebruik maar één kamer meer over en deelden met de Britten dezelfde keuken.

De omgang tussen de burgerij en de troepen was uitmuntend. Wat gedrag en zeden betrof was er van de Fransen en de Britten niets te zeggen. Het kanongebulder zweeg haast nooit. Twee of drie nachten was het mij onmogelijk om te slapen, toen werd ik aan dat gedonder gewoon. Een treurig gezicht was het binnenbrengen van gewonden. Er waren twee verpleegposten op ons dorp. Franse priesters verpleegden de gekwetsten. De Engelsen hadden daarvoor vrouwen. Reningelst had niets geleden, maar dat was wel het geval voor een van onze gehuchten. De Klijtte waar een kapel stond. Hier bevond zich de Britse legerstaf en een spion moest dat aan de Duitsers gemeld hebben, want de vijand begon plots De Klijtte te beschieten. Ze deden het systematisch, vierkanten van vijftig op vijftig meter. De bommen kwamen uit de richting van Wijtschate en Mesen.

De eerste bommen vielen aan de wegwijzer waar de wegen Ieper-Belle en Kemmel-Poperinge elkaar kruisen. Daar werd een Frans soldaat getroffen. Hij stierf een half uur later. De proost van De Klijtte, de ‘pastoor’ noemde het volk hem, had hem nog bediend. Vijftig meter verder werd een stuk van een schuur weggeschoten. Weer vijftig meter verder viel een bom in de keuken van herberg ‘La Fontaine’. De meid en haar broer werden op slag gedood. De oude waard zat in de hoek en kreeg niet het minste letsel. Een Brits officier was door ook aanwezig. Hij werd zwaar gekwetst en stierf na drie kwartier lijden. Vijftig meter verder beschadigde een bom een stal. Tussen de herberg en laatstgenoemde plaats bevond zich de legerstaf die aan het gevaar ontsnapte en zich natuurlijk naar een andere plaats begaf. Er moest spionage in het spel geweest zijn.

Dit bombardement had dus aan twee militairen en twee burgers het leven gekost. Toen werd het ook spannend in Reningelst. Als men nu al De Klijtte, op een half uur van ons begon te beschieten…. Maar we moesten vertrouwen houden en we bleven. We konden er blijven wonen. Ieper was aan de geallieerden gebleven. Maar de stad was lelijk geteisterd. Op zekere avond stonden we naar de brandgloed te kijken en we dachten dat boerderijen in vuur en vlam stonden. Dat gebeurde immers zo vaak. Maar sommigen beweerden dat het Ieper zelf was dat brandde.

En ja hoor! De kathedraal en de lakenhalle waren er bijna verwoest en veel huizen afgebrand. Dat was al lang geen nieuws meer natuurlijk. Maar toch! Als men die brandgloed zag en er aan dacht dat de verwoesting in dat schone, rijke Ieper woedde, waar men zo graag in de stille straten had gewandeld en die monumenten en prachtige gevels bewonderd had, dan voelde men pijn aan het hart. Ik kon het u verzekeren. Het was niet waar dat alle mensen uit Ieper gevlucht waren. Velen hadden de stad nooit verlaten. Onvoorzichtig genoeg, maar het was wonderlijk wat voor koelbloedigheid en doodsverachting tal van burgers toonden. De vreemde officieren waren er zelf verbaasd over. Onze andere stad – Poperinge – had niet geleden. Maar een bom uit een vliegtuig had een mens gedood en vijf gewond. De bom moest voor de schone Sint-Bertijnskerk bedoeld zijn.

Tegen de toren stonden twee dikke steunpilaren. De bom viel op een van die pilaren en explodeerde met veel geweld. De zes mensen stonden voor hun huis …. Ze werden allen getroffen. Een van hen stierf na drie kwartier. Er werden nog vijf keer bommen geworpen, maar zonder anderen te treffen of schade aan te richten. Maar wat een verwoesting in onze omgeving! Mesen lag plat, ik had de kerk zien branden. Hollebeke was verwoest. Niet te verwonderen als men wist hoe hard daar gevochten werd. Kemmel was er bijna helemaal aan, dat lieve dorpje aan de voet van de berg.

Sint-Elooi, daar was niet veel aan te verwoesten. Sint-Elooi werd vaak vernoemd hé? Het was een gehuchtje zonder kerk, een wijk van Voormezele die ook al niet meer bestond. Dikkebus had enkele bommen gekregen. Een bom vloog in de keuken van het huis waar de onderpastoor woonde. Die was aan het praten met een collega van Voormezele die een schuilplaats bij hem gezocht had. We hadden te Reningelst een man van Dikkebus begraven. Met enkele soldaten ging hij naar zijn woning om nog zijn konijnen op te halen, toen een bom ontplofte, hem en een soldaat doodde en de andere verwondde. Veel soldaten die aan hun wonden bezweken, werden te Poperinge en Ieper op plechtige wijze begraven.

Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1915
banner