Donderdag 14 december 1905. In het dorp Elverdinge dat gewoonlijk zeer vreedzaam was, waren de geesten toornig geworden. Tegengestelde belangen vroegen er om een snelle oplossing, langer wachten met die oplossing zou nog meer misnoegen doen ontstaan. Een toestand om van te sidderen! Van de ene kant had ge de zeer driftige kasteelheer, en van de andere kant het hele dorp in onrust. Noch de ene, noch de andere wilde buigen. Het gemeentebestuur zou er dus weldra moeten in tussenkomen. Waarover ging het?
In Elverdinge dat reeds begunstigd was met een buurtspoorweg, liep de koninklijke weg voor automobielen en weldra zou een andere buurtspoorweg de eerste komen vervoegen. Hetgeen het gewoon verkeer zeer moeilijk zou maken. Het bestuur van Bruggen en Wegen dat ongevallen vreesde, hield er aan de huidige weg van richting te veranderen en die aanpassing had heel wat tegenkanting doen ontstaan.
De belanghebbenden beweerden dat de handel zich helemaal zou verplaatsen en ze vroegen dat het ontwerp van de nieuwe weg door te velden te maken om verder uit te komen aan het station van de buurtspoorweg zou verworpen worden. Volgens hun redenering zou men daarmee vaarwel moeten zeggen aan de profijten van de paardenmarkten en aan de winsten die de foren, de kermissen en de begrafenissen verschaften.
Er was naar hogerhand een protestbrief verstuurd die enigszins op een gunstige reactie had mogen rekenen aangezien er een nieuw ontwerp ontstaan was om de bestaande weg door te trekken door het kerkhof en het landgoed van de kasteelheer. Vandaar dus de grote colère van de burgemeester van Elverdinge. ‘Wat!’, zou hij uitgeroepen hebben, ‘door het kerkhof, naast de grafkelder waar sedert eeuwen mijn doorluchtige voorvaderen rusten!
Dat zal nooit gebeuren! Door al die schone eigendommen van mijn landgoed snijden? Zijn die heren ingenieurs hun hoofd verloren?’ En hij vertrok, schoon opgesmukt, met zijn handschoenen en gelakte laarzen aan naar het eerste station, zeer slecht geluimd en hij liet er zich een reiskaartje voor Brussel afgeven.
En van zodra hij in Brussel aangekomen was, had hij zich in een huurkoets naar de minister doen voeren. Daar gaf de minister aan dat er geen gevolg zou kunnen gegeven worden aan zijn vraag. Waarop de burgemeester nogmaals zijn litanie over het graf van zijn voorvaderen had afgestoken. Wat dacht het bestuur van Bruggen en Wegen wel? Zijn familie misnoegen om enkele winkeliers te voldoen? Dat was compleet ongerijmd en de minister moest dat tweede ontwerp intrekken.
Maar opnieuw bleek dat totaal onmogelijk. Dan begon de Elverdingenaar te dwepen dat zijn katholieke partij er zou onder lijden omdat hij zelf goed was voor meer dan 500 stemmen. Maar ook daar had de minister geen gevolg aan gegeven. De burgemeester moest beseffen dat de tijden veranderd waren. En die reageerde nog een laatste keer dat de edelen vroeger alles te zeggen hadden en nu … niets meer..
Dit is een fragment uit Boek 1877-1913 van De Grote Kroniek van Ieper


