banner
dec 1, 2025
104 Views
Reacties uitgeschakeld voor De ellende van 6 november

De ellende van 6 november

Written by
banner

Vrijdag 6 november 1914. Het bombardement hield niet op. Ik zat aan tafel toen een obus op de buurt neerviel. Toen ik (Camille Delaere) aangerend kwam, vond ik een jonge man, Charles Beun die stervende was. Drie anderen werden vlak voor de infanteriekazerne verrast en in stukken geslagen. Hun kadavers zouden tot morgen ter plekke blijven liggen. Verscheidene grote obussen vielen dicht in mijn omgeving, zo bijvoorbeeld voor mijn woning, achteraan het kerkhof. De bakkerij van de zwarte zusters werd vernield. In de stad was de schade overal aanzienlijk. Het merendeel van de inwoners durfde zich niet meer op straat te vertonen. Waar je ook keek, zag je de ellende om je heen. Rond 14u trof een grote marmiet het kerkhof van Sint-Pieters. De enorme luchtverplaatsing zorgde voor gebroken ruiten in zowat het hele kwartier. Het Volkshuis bij de kapel van de Sint-Lodewijksschool werd zwaar beschadigd en er vielen overal bommen.

….

Dikkebus. De hele nacht en vanochtend een voortdurende passage van troepen, Britse en Fransen, misschien wel vijftienduizend mannen. Het waren verse manschappen en ze trokken in de richting van Ieper. Er bolden ook nieuwe kanonnen naartoe. Een dikke mist hing over het land.
In de ochtend waren de gevechten het felst langs de kanten van Armentières. De Fransen deden een ‘contre-attaque’ met de bajonet aan het kasteel van madame Mahieu en ze konden het gebouw heroveren. Maar ze konden het slechts enige uren behouden. De vijand zou er nu voorgoed blijven.

De kanonnen waren de hele namiddag uiterst geweldig. Wijtschate was bijna helemaal verwoest en de ‘Hollandsche schuur’, het groot hof van Letermes van Wijtschate stond in brand. Rond 13u stapten vierduizend Britse voetgangers, verse troepen naar Ieper. Er was een verbod gekomen voor de burgers om nog tussen 4u en 22u op straat te komen om de passage van de troepen niet te hinderen. De Franse gendarmen waren voortdurend bezig met voorbijgangers van de weg te halen of ze terug te sturen. Wie tweemaal gesnapt werd, riskeerde het van in de gevangenis te belanden. Zo waren er zelfs mensen die hun nodige boodschappen niet konden doen.

De reden van dat bevel lag vermoedelijk bij de vrees voor spionage en vooral toch om het voor de vluchtelingen op onze parochie extra lastig te maken en ze zo te dwingen wat verderop te trekken naar streken die niet overbevolkt waren. Velen hadden dit reeds gedaan en ik dacht dat al meer dan tweeduizend mensen Dikkebus verlaten hadden. Bijzonder ellendig was de toestand van die ongelukkige lieden. Sommige hadden de schaarse centen die ze meegebracht hadden al moeten verteren en stonden nu zonder de minste middelen van bestaan. Andere konden met hun geld niets meer kopen van winkelwaar omdat alles uitgeput was en helaas, indien er nog iets in bakkerijen of winkels overbleef, stonden de vluchtelingen staan altijd achteraan in de rij omdat de gewone klanten voorgingen.

Was het dan ook te verwonderen dat er van deze droevige toestand veel lichamelijke en zedelijke ellende voortsproot? Zo gingen veel vrouwspersonen hunkeren naar het soldateneten en soldatengeld. Er waren helaas voldoende slechteriken in het leger om die nood van onze ongelukkige bevolking uit te buiten tot voldoening van hun dierlijke driften. Voeg daarbij de ellendige staat van de woonplaatsen, waar soms twee of drie families moesten wonen, huizenieren en slapen op één en dezelfde kamer, allen dooreen, personen van alle leeftijden en van alle geslachten. Hoeveel huizen en stallen waren er zelfs niet waar burgers en soldaten allen dooreen zaten en leefden.

Zo had ik (pastoor Van Walleghem) een vrouw berecht in de grote zaal van het gemeentehuis. Die vrouw lag daar te midden andere vluchtelingen en soldaten, niet minder dan honderdvijftig. Het was er een hels lawaai en zo was die vrouw daar gestorven zonder dat zich amper iemand om haar bekommerde. Vier uur na haar dood was ze al begraven. Er heerste inderdaad schaarsheid van veel etenswaren. Twee zaken waren er gelukkig in overvloed, aardappelen die zeer wel gelukt waren en vlees. Veel landbouwers hadden immers hun beesten meegebracht en moeten ze nu verkopen voor ‘t eerste ‘t gereedste. Het brood werd zeer zeldzaam. Bloem was er volstrekt niet meer. Sedert enige tijd durfden de bakkers er niet veel meer opslaan, nu in de korte dagen en door het groot getal soldaten en vluchtelingen was alles uitgeput.

Vele landbouwers hadden nog niet kunnen dorsen en zaten bijgevolg zonder graan om te doen malen. Enkel hier en daar konden de bakkers wat tarwemeel krijgen en die gaven ze dan het liefst aan hun klanten. Zo zag men vluchtelingen twee uren staan wachten in de bakkerij en sommigen moesten nog met lege handen vertrekken. Koffie was er ook niet meer, ikzelf moest chicorei drinken. Noch suiker, noch kaas, noch vis. Boter, melk en eieren; veel te weinig. Vandaag vrijdag mocht ik mijn patatten droog eten want de toelating van op vrijdag vlees te eten was immers nog niet toegekomen. Er waren maar weinig herbergen meer waar nog bier te verkrijgen was. Andere dranken waren volstrekt niet meer te vinden.

Hofsteden en huizen zaten nu al vol soldaten, overal Fransen. De soldaten maakten zich overal baas en gingen stro en hooi halen naar believen en ‘mooschten’ er in dat het een schande was. De Fransen betaalden, maar de Britten meestal niet. Zo waren er boeren die in december al zonder hooi zaten. Toch kon het volk algemeen gesproken die lastige behandeling redelijk verdragen omdat de mensen dachten dat het toch niet lang zou duren, en dat ze zich gelukkig achtten van nog niet te moeten vluchten. Ondertussen zat iedereen met angst en verlegenheid dat het weldra onze beurt zou zijn om te moeten vluchten. Het was al soldaat dat men zag en al kanonnen die men hoorde.

….

Er was brand uitgebroken in de winkel van mijnheer Nuytten in de Boterstraat. Enkele Franse soldaten hielpen mee om de blussen. We bestreden het vuur in de Boterstraat en de Tempelstraat met een brandspuit. Het huis Heursel vatte ook vuur en om 22u30 waren daar alleen nog maar vier politieagenten aan het blussen, samen met majoor Ligy en G. Delahaye. Niet ver van de Tempelstraat vielen er al opnieuw enkele bommen. De politieagenten redden hun leven en stonden daar zonder water. We moesten ons bluswerk dus staken, te meer omdat Elisabeth beneden op me wachtte en ik (Gustaaf Delahaye) mee moest naar huis.

….

Ik (Aimé Van Nieuwenhove) ontwaakte al om 1u door het geluid van vallende obussen. Tot 2u30 zouden er wel om de twee minuten volgen en wat later kon ik weer indommelen. Tot 4u een nieuw projectiel de voorgevel van horlogerie Bogaerts in de Rijselstraat trof en deels uiteenspatte tegen mijn voordeur en de ramen van de eerste en tweede verdieping. Ik stond op en ging alles even inspecteren. Gelukkig viel het schieten stil en kon ik nu nog verder slapen tot 7u. En nu ik vroeg op de been was, besloot ik om even te gaan rondneuzen in de stad om de schade van de bombardementen te gaan bekijken. Er waren obussen gedropt op de woningen van Bogaerts, mevrouw De Coene, juffrouw Donck van de Grote Markt, de Katholieke Kring, op de kathedraal, het Nieuwerck, brasserie ‘De Drie Koningen’ van L. Vermeulen.

Drie soldaten werden gedood. Ik trof obusresten aan in de kast van onze slaapkamer. Alle bommen waren aangekomen vanuit de richting van Poelkapelle. Rond 9u begon het geschut al opnieuw. Deze keer vanaf de kanten van Geluwe en Wijtschate. Ik vluchtte in de kelder en verstopte me onder mijn matras. Later bracht ik een bezoek aan de postbediende met de vraag of ik niet mocht schuilen in zijn stevige kelder. Ik mocht mijn plooibed naast het bed van het echtpaar Ch. Deweerdt plaatsen.

In de loop van de voormiddag was een obus neergekomen in de tuin van de familie Desaegher, alle tegels aan de binnenzijde van hun woning waren in stukken geslagen. De koer lag vol steenbrokken en zag er lamentabel uit. Maar voor de rest zag de woning er nog intact uit. In de loop van vandaag werden ook de woningen Meerseman, Cordier, Desalmon, Froidure en de Concorde beschadigd.

Die avond aten we in de kelders van Robert Lacante, in het gezelschap van de familie Riem en van Gustave Gillis. Om 19u30 begaf ik me opnieuw naar de kelder van de Post waar ook mijn buren logeerden en de Franse nonnen, de juffrouwen De Bisschop en de families van de postboden. Na een verschrikkelijke dag hoopte ik eindelijk te kunnen genieten van een goede nacht slapen. Om 21u30 ging ik slapen en zwierven mijn gedachten naar mijn gezinsleden en naar mijn bedreigde thuis.

Dit zijn fragmenten uit Boek 1914 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1914
banner