banner
feb 14, 2026
4 Views
Reacties uitgeschakeld voor De beiaard van het belfort

De beiaard van het belfort

Written by
banner

De ‘klein klokjes’ die vermeld werden in de stadsrekening van 1377 waren de voorgangers van onze beiaardklokken. Ze vormden onderling een eenvoudig akkoord dat het uur sloeg en waaruit in latere tijden onze beiaard of ‘clockspel’ ontstond. De ‘clocketten’ van de 14e eeuw hadden zelfs hun naam nagelaten aan hun opvolgers. In de 19e eeuw had men het in de Ieperse volksmond inderdaad nog altijd over de ‘clocketten’ als men sprak over de beiaard.

Tot aan het midden van de 16e eeuw kondigen de kleine clocketten die in 1377 al hersteld werden door Jan de le Varwere op hun eigen en min of meer regelmatige en harmonieuze wijze de uren aan, geluid door de grote klok van de gebroeders le Boom. De embryonale ‘voorslag’ kreeg als opvolger een ander akkoord van klokken die de naam van hun voorganger behielden. Van deze nieuwe ‘voorslag’ ontstond onze oorspronkelijke beiaard en van daaruit het luchtorkest dat zonder ophouden geperfectioneerd werd en door onze voorouders lange tijd beschouwd werden als wonderlijk.

In zijn merkwaardige studie over de muziek in de Nederlanden voor de 19e eeuw gaf E. Vanderstraete interessante details over het Ieperse belfort. Nadat onze magistraten rond 1540 een nieuw horloge hadden laten plaatsen in het belfort, beslisten ze om eveneens de oude ‘voorslag’ te vernieuwen. Ze bestelden tussen 1543 en 1545 zestien nieuwe klokken of klokjes – appeelkens – bij de klokkengieters Waghevens van Mechelen.

Vervolgens kochten ze 200 pond fijne tin in Engeland. En ze transporteerden drie oude klokjes naar Mechelen om er hergoten te worden. Misschien waren die klokjes gebarsten of waren ze buiten gebruik. Na de installatie van een horloge met slagwerk hadden ze immers niet langer die klokken nodig om zich te bedienen voor het aankondigen van de ogenblikken van zonsopgang en van de begin- en einduren van het werk.

Twee jaar later leverde de Leuvense horlogemaker Henri Van Breda een cilinder of ‘speelwiele’ en het noodzakelijk mechanisme om de door Corneille en Jacob Waghevens gegoten klokken aan te sturen. Of met andere woorden in onze beiaard een nieuwe ‘voorslag’ aan te brengen. Onze penningmeesters betaalden aan deze horlogier 1.520 gouden florijnen, niet inbegrepen de vergoedingen, de vervoerkosten, de douane- en andere kosten.

Van Breda kreeg achteraf eveneens een keerlaken als symbool van hun erkentelijkheid en tevredenheid voor het resultaat. Dat keerlaken was als het ware een soort juweel dat versierd was met het gebruikelijk monogram van de stad, de letter ‘Y’. De klokkenakkoorden waar onze gemeenteraadsleden zich zo tevreden over toonden, waren desondanks nog bijzonder eenvoudig en primitief. Ze kondigden alleen maar het uur aan.

Maar weldra (al in 1575) zouden ze die proberen te perfectioneren, een idee waar ze al een hele tijd van droomden. De klokkenakkoorden. Misschien hadden de beiaards van Rijsel, Doornik, Gent, Aalst en Mechelen dan al opmerkelijke resultaten geboekt en daarom gaven onze schepenen de opdracht aan organist Jean Heims en horlogemaker Vaillant om zich naar deze steden te begeven om er de respectieve meesterwerken te gaan onderzoeken. Bij hun terugkeer bestudeerde en onderzocht men te Ieper zorgvuldig de rapporten van deze afgevaardigden.

Toch zou het nog vijf jaar duren vooraleer de gemeenteraadsleden een beslissing zouden nemen. Het was inderdaad pas in 1580 dat Josse Vaillant het oude speelwiel aanpaste op een manier waardoor het mogelijk zou worden om met de noodzakelijke metaalklanken het half uur te luiden. Maar het eenvoudig en zelfs verbeterd klokkenakkoord kon de Ieperse burgers niet tevredenstellen. De noodzaak aan een complete beiaard liet zich vanaf 1602 levendig gevoelen. Dat jaar beslisten onze magistraten om wat te doen aan die wens. Ze ontboden een vreemde beiaardier, met name André de Prys om hen adviezen te verschaffen.

Maar bijzonder trouw aan hun gewoonte om zich zeker niet te haasten, bleven ze nog een hele tijd redetwisten vooraleer een beslissing te nemen. Het was pas in 1607 dat ze diverse nieuwe klokken bestelden bij Jean Groignart en Jean Samyn. Horlogemaker Thierry Finet leverde de noodzakelijke metalen om die in het belfort op te hangen en in actie te brengen. Deze eerste beiaard werd gevormd door 21 klokjes, zowel oude als nieuwe. Om ze tot een akkoord te brengen, werden ze afgesteld door stadsbeiaardier Augustin de Saint-Aubert.

De vader van deze man – Philippe de Saint-Aubert – leverde datzelfde jaar trouwens nog eens vier nieuwe klokjes. Ondanks de toevoeging van deze extra klokjes die samen de som van 183 ponden kostten, produceerde de nieuwe beiaard bij de testen een vreselijke mengeling van wanklanken, een waar tumult. Had de Saint-Aubert de klokken dan verkeerdelijk aangepast? Paste het hamerspel niet precies met de koperen lijnen?

Hadden de onervaren arbeiders fouten gemaakt? Of was het mechanisme defect? Hoe dan ook: de ontgoocheling bij onze magistraten en burgers was groot. Schepen Anthonis de Coincte haastte zich om naar boven te gaan in het belfort om de janboel te laten stilleggen. Met enig kunstgevoel had dit volgens hem niets te maken.

Er werd beslist om drie vreemde meester-horlogemakers aan te trekken om de akkoorden en de onderlinge harmonie tussen de oude en nieuwe klokken te herstellen. Deze drie meesters; Cler Flahant van Rijsel, Gilles Quignon van Kortrijk en Pierre Cueren van Gent brachten het geheel in goede toestand. De nieuwe beiaard functioneerde nu plots, tot algemene tevredenheid toen die zich voor het eerst officieel liet horen in 1609.

Dat gebeurde op de dag dat de Ieperse bisschop Maes in processie het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne verhuisde van het altaar van de kerk van de paters recolletten naar zijn eigen altaar. Dat beeld was daar verstopt geweest in de tijden van de religieuze troebelen in 16e eeuw.

De eerste voorstelling van het nieuwe beiaardspel verliep tot algemene tevredenheid van de inwoners. Vanaf die tijd kon Ieper er prat op gaan dat het in het bezit was van een stadsbeiaard. Ze betaalden Augustin de Saint-Aubert 6 ponden per week om die te bespelen. Zijn jaarloon bedroeg dus 312 ponden, wat voor die tijd een aanzienlijk bedrag was.

Naast dergelijke grote salarissen, betaald door de stad, ontvingen onze beiaardiers ook nog eens vergoedingen in hun kwaliteit van organisten van de Sint-Maartenskathedraal. Ze baatten beide taken altijd simultaan uit en werkten dus deels voor de stad en deels voor de kerk. Hun stedelijke status was dus schitterend.

In het werk van schrijver Vanderstraeten troffen we meerdere namen van Ieperse beiaardiers aan, samen met opmerkelijke biografische details van orgel- en beiaardbouwers waarvan hun namen ingeschreven zouden blijven in de artistieke geschiedenis van ons land.

In de 19e eeuw trof men in het klokkenhuis aan de top van het belfort geen enkele klok aan die de naam van Groignart, Samyn of Philippe de Saint-Aubert droeg, of een inscriptie met het jaartal 1607. De oudste van deze klokken – na deze door Corneille en Jacob Waghevens gegoten tussen 1544 en 1545 – dateerde van 1683. Het was dus mogelijk dat de klokken die in deze tussenperiode van 130 jaar hergoten werden niet de minste datum of inscriptie droegen.

De stad Ieper vierde in 1683 met grote plechtigheid de 300e verjaardag van zijn bevrijding in 1383. Om nog meer weerklank te geven aan deze verjaardagsfeesten beslisten onze schepenen om de beiaard van 1609 te vervolledigen. Een inscriptie van 1683 bewees dat het wel degelijk in die optiek geweest was dat Toussaint Cambron en Pierre Cappelle belast werden om zestien nieuwe klokken te gieten.

Pierre Cappelle leverde er twee en Alexis Cambron, de zoon van Toussaint de resterende veertien. Voor een prijs van 740 ponden. Eén van die klokken – de grootste en de mooiste – diende om de openings- en sluitingstijden van de stadspoorten te luiden en eveneens om de halve uren te klinken. Al die werken waren uitgevoerd nog voor de grote Thuyndag van 1683 en nog voor het einde van dit jaar vereffend. Met uitzondering van de levering van de messingdraad ‘fidechat’ die een jaar eerder gesoldeerd werden door Jacques Peereboom.

Onze beiaard werd nogmaals verbeterd in 1716. Klokkengieter Antoine Bernaert leverde dat jaar twaalf nieuwe klokjes voor de som van 395 florijnen. Beiaardier De Lestrez ontving 30 florijnen om ze te stemmen.

Tussen 1742 en 1743 werd de beiaard voor een groot gedeelte vernieuwd. Men voegde er een klein klokje aan toe, gegoten door François-Joseph Coursin. En onze penningmeesters betaalden voor het gieten van acht nieuwe klokken en het opnieuw gieten van elf oude klokken de som van 600 florijnen aan François Guillemin. Corneillie-Jacques Peereboom, de zoon van Jacques leverde 944 pond brons. De ontvanger van de Sint-Maartenskerk – Cornille Decrock – verkocht 748 pond metaal aan de stad en Jean-Baptiste Ovyn een mortier met een gewicht van 87 ponden.

Onze magistraten gaven in 1772 de opdracht aan Georges Dumery om de klokken van de beiaard aan een inspectie te onderwerpen. Deze Brugse gieter stelde een gedetailleerd rapport op dat in de 19e eeuw nog te vinden was in onze archieven. Hij leverde vervolgens twee klokjes aan de stad, voor de bescheiden som van 68 florijnen. Uiteindelijk werd Séverin Van Aerschodt, een Leuvense klokkengieter in 1851 belast met het gieten van drie klokken.

De Ieperse beiaard werd in 1865 nog altijd graag gehoord door de Ieperlingen. Hoewel die vaak defect was. De klokken konden nog met moeite drie octaven aan. Tweeëndertig klokken en klokjes, met inbegrip van de grote klok uit 1377 stelden dit luchtorkest samen. Zijn meer dan imperfecte akkoorden en zijn toonaarden – meer speels dan harmonieus – kondigden de uren, halve uren, kwartieren, de publieke feesten en de stedelijke vieringen aan.

Dit is een fragment uit Boek 1877-1913 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1877-1913
banner