banner
feb 20, 2025
148 Views
Reacties uitgeschakeld voor De ‘chic’ van Ieper

De ‘chic’ van Ieper

Written by
banner

Zomer 1914. Ieper was de kleinstad met al zijn gaven en gebreken. Ten uitkante, ver van alle grootmenselijk verkeer, in de rustige Westhoek van Vlaanderen gelegen, had het om er zich mee te vergelijken niets dan kleinere stadjes in het omliggend gewest: Roeselare, Menen, Komen, Wervik, Poperinge, Veurne. En te midden van al die mindere sterren blonk het gemakkelijker uit als een zon. Kortrijk, dat verder lag, was aanzienlijker maar daar sprak men niet van. Men bekeek ons vanuit het oosten als de hoofdstad van ons kleine vaderland hier in het westen, en het moest zijn dat men het Ieperse gedoe niet al te slecht gelijkend vond op dat van de Brusselaars want Ieper noemde zichzelf ‘un petit Bruxelles’.

Steden, zo leek het wel, hadden elk hun eigen karakter en onderling was er zeker sprake van ontzag, minachting of afgunst. Zo was het dat de Kortrijkzaan moeilijk overweg kon met de Bruggeling en Ieper met Poperinge twistten om de kroon over het Westland. Van de Poperingenaar kon de Ieperling geen goed woord horen en de Poperingse ‘koppekei’ had het over de Ieperse kinderen alsof die in hun maag brandden als zurende spijs. Ieper bezat een bevolking van ongeveer twintigduizend zielen, geen werkvolk, of toch bijna geen, meestal kleinburgers, middenstand en hogere burgerij.

Werklieden en kleinburgers waren hier zoals ze elders waren: naarstige lieden, tevreden met hun dagelijks brood, mensen die leefden van hun dagloon, of uit kleine winkeltjes, kleine waren verkochten tegen groot geld. Ze leefden immers van elkaars klandizie en de bakker ontving nog dezelfde avond voor zijn brood hetzelfde geld dat hij die ochtend aan de beenhouwer had uitgegeven. De mensen leefden rustig en zonder overdreven behoeften, binnen het beluik van de grijze vestingmuren. Ze vulden de kleine kronkelstraatjes, zoals die al sedert honderden jaren gevuld waren geweest met een kakelbonte bevolking, mannen, vrouwen en kinderen die wemelden uit en in de kleine deurposten, als de moeren aan de openingen van hun nest, nog altijd zo echt en zo Vlaams als een middeleeuwse baksteen van de stadswallen.

De hogere burgerij – omdat ze hoger wilde blijven – droeg de stempel van de onechtheid. Vlaams was ze niet, tenzij van geboorte. Bij sommigen bestond nog altijd die bekrompen afkeer voor de moedertaal. De ‘chic’ vereiste dat men zijn kinderen zou laten opvoeden, gelijk waar, zolang dat maar niet binnen de geboortestad was. Ieper droeg nog haar middeleeuws vorstinnengewaad. Niet enkel de aloude edelstenen van haar pronkgebouwen met haar prachtige kathedraal en de lakenhalle maar daarnaast had ze nog haar kronkelstraten waar verscheidene weidse herenhuizen stonden – rijkeluishuizen – veel jonger van jaren, uit de tijd van de Renaissance of de Franse Lodewijks, maar toch al eerbiedwaardige getuigen van eertijdse weelde en grootheid.

Die hotels hadden bovenaan, tot en met het tweede verdiep hun heerlijk uitzicht bewaard, maar onderaan was het verburgerlijkt en ‘verwinkelierd’. Grote brede toogladen gaapten uit gotische boogvensters, met glazen vensterschrijven zo groot dat men vreesde dat ze wel elk moment konden breken. Hier en daar zaten er de groene glasruitjes nog in hun lood gezet, maar waar vroeger de ‘kantklossen’ lagen, waren dat nu de aardappelen, de bloemkolen, patrijzen en gevilde konijntjes te ‘blekken’ in guitige, goedige spot.

Overal aan de ramen hingen borden uit met de staatszegel ‘Quartier meublé à louer’, als bewijs dat er plaats te veel was in de adellijke woonsten. Zeer hoog moest men niet opklimmen om het spoor terug te vinden van Ieperse jongste bloeitijdvak. Een kleine eeuw geleden was het stadje nog het geliefkoosd verblijf van een hele zwerm oude en echte ‘stamedeldom’ die de stad verguldde met de luister van zijn blazoen, de straten liet leven met het gerots van zijn koetsen, de omliggende wouden liet zingen met het lied van zijn jachthoorns. Ieper spiegelde zich nu voortdurend aan zijn eigen beeld, voldaan met zichzelf en in die perfectie wilde het gerust blijven voortleven. De burgemeester zat voor, de schepenen en gemeenteraadsleden zaten bij.

Ze hadden hun stem en brachten die vrij uit. De burgervader bewees hen alle eer om er goedmoedig naar te luisteren en handelde daarna naar de goesting van de meerderheid. Dan waren er de hogere bedienden, bureeloversten, ‘commis-chefs’, secretaris, enz. die de plannen overschreven en de bevelen uitdeelden. En uiteindelijk de gewone stadsbedienden die op de laagste trap van de burgerhiërarchie stonden en het handwerk uitvoerden. De leveranciers streken het geld op. Elkeen in Ieper leefde gerust en tevreden zolang diegene die onmiddellijk boven hem stond ook tevreden was.

Dit is een fragment uit Boek 1914 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1914
banner