banner
nov 11, 2024
206 Views
Reacties uitgeschakeld voor Het dievenwagentje

Het dievenwagentje

Written by
banner

Het jaar 1914. De hogere burgerij – omdat ze hoger wilde blijven – droeg de stempel van de onechtheid. Vlaams was ze niet, tenzij van geboorte. Bij sommigen bestond nog altijd die bekrompen afkeer voor de moedertaal. De ‘chic’ vereiste dat men zijn kinderen zou laten opvoeden, gelijk waar, zolang dat maar niet binnen de geboortestad was. Ieper droeg nog haar middeleeuws vorstinnengewaad. Niet enkel de aloude edelstenen van haar pronkgebouwen met haar prachtige kathedraal en de lakenhalle maar daarnaast had ze nog haar kronkelstraten waar verscheidene weidse herenhuizen stonden – rijkeluishuizen – veel jonger van jaren, uit de tijd van de Renaissance of de Franse Lodewijks, maar toch al eerbiedwaardige getuigen van eertijdse weelde en grootheid. Die hotels hadden bovenaan, tot en met het tweede verdiep hun heerlijk uitzicht bewaard, maar onderaan was het verburgerlijkt en ‘verwinkelierd’. Grote brede toogladen gaapten uit gotische boogvensters, met glazen vensterschrijven zo groot dat men vreesde dat ze wel elk moment konden breken. Hier en daar zaten er de groene glasruitjes nog in hun lood gezet, maar waar vroeger de ‘kantklossen’ lagen, waren dat nu de aardappelen, de bloemkolen, patrijzen en gevilde konijntjes te ‘blekken’ in guitige, goedige spot.

Overal aan de ramen hingen borden uit met de staatszegel ‘Quartier meublé à louer’, als bewijs dat er plaats te veel was in de adellijke woonsten. Zeer hoog moest men niet opklimmen om het spoor terug te vinden van Ieperse jongste bloeitijdvak. Een kleine eeuw geleden was het stadje nog het geliefkoosd verblijf van een hele zwerm oude en echte ‘stamedeldom’ die de stad verguldde met de luister van zijn blazoen, de straten liet leven met het gerots van zijn koetsen, de omliggende wouden liet zingen met het lied van zijn jachthoorns. Ieper spiegelde zich nu voortdurend aan zijn eigen beeld, voldaan met zichzelf en in die perfectie wilde het gerust blijven voortleven. De burgemeester zat voor, de schepenen en gemeenteraadsleden zaten bij. Ze hadden hun stem en brachten die vrij uit. De burgervader bewees hen alle eer om er goedmoedig naar te luisteren en handelde daarna naar de goesting van de meerderheid. Dan waren er de hogere bedienden, bureeloversten, ‘commis-chefs’, secretaris, enz. die de plannen overschreven en de bevelen uitdeelden. En uiteindelijk de gewone stadsbedienden die op de laagste trap van de burgerhiërarchie stonden en het handwerk uitvoerden. De leveranciers streken het geld op. Elkeen in Ieper leefde gerust en tevreden zolang diegene die onmiddellijk boven hem stond ook tevreden was.

Er was ook een tribunaal. Omdat Ieper te midden in de bossen lag, waren er onnoemelijk veel wildstropers, konijnendieven, vechthanen. En de dagen waarop de raad van rechters zich verwaardigde van te zetelen, zag men de beschuldigden de stad binnenkomen, een beetje beschaamd en scheef in hun zondagspak om zich gedwee te gaan onderwerpen aan de uitspraken van moeder Justitia. De zwaarste beschuldigden werden aangevoerd in het dievenwagentje. O! Dat dievenwagentje! Geheimzinnig gesloten als een ouderwetse jas die men dichtknoopte tot aan de kin, met tralievenstertjes zoals aan de veewagens op de trein en met op het dak twee korte buisjes, elk met een Chinees hoedje bekroond om lucht te trekken via de bovenzijde. Hoe vaak was het voertuig niet voorbij mijn ramen gereden, geladen met zijn lading schelmen en slechteriken, nijdig dicht als een pepervat, met achteraan een flinke gendarme die eraan hing als een zwarte vlinder met zijn vlerken toe en die oogjes kneep naar de meiden die vensters wasten.

Het paard was waarachtig levend uitgesneden uit Dickens’ David Copperfield, het lamlendigste en meest luie dier ter wereld. Het strompelde voort, met zijn kop naar de grond als wilde het de statige rechters in hun weidse toga’s nog wat op hun blinkende hielen laten draaien want zonder hem konden ze toch niet voort, zonder het beest geen vierschaar en geen recht in Ieper, zonder hem liepen al de pensjagers op vrije voeten en was er in heel de omtrek geen enkele haas of wild konijn overgebleven. De koetsier zat in zijn hokje met een tweede gendarme aan zijn zijde. Hij droeg een zwarte pet met rode band om zijn bediening duidelijk te maken en zichzelf herkenbaar te maken tussen de rest van de stervelingen alsof hij met ambtelijk gezag bekleed was, te weten de koetsier van het dievenwagentje.

Dit is een fragment uit Boek 1914 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1914
banner