September 1379. Er was oproer ontstaan in Gent waardoor de wet niet kon vervangen worden en het magistraat drie weken langer in functie bleef. Die van Gent liepen in de wapens en korte tijd later werd hun baljuw doodgeslagen door enkele muitmakers. Achteraf verklaarden ze dat ze hem persoonlijk hadden willen doden maar dat ze het op iemand anders gemunt hadden. Maar de woorden van de baljuw hadden hen buiten hun zinnen gebracht. Achteraf trokken ze tot buiten de stadspoort op de weg die naar Brugge leidde. Ze begonnen er aan een strooptocht en drongen binnen in het grafelijk kasteel te Wondelgem.
Achteraf keerden ze terug naar hun thuisstad. En hierna – op 11 september – trokken ze er nog een keer op uit. Naar Deinze en van daar naar Sint-Eloois Vijve en dan naar Kortrijk. Ze bleven er enkele dagen en op 16 september gingen ze naar Menen.
Al de andere steden in Vlaanderen hielden zich rustig. De graaf van Vlaanderen ontbood een groot deel van zijn edellieden om naar Ieper te komen. En het was Hendrik van Beveren, de burggraaf van Diksmuide die een groot deel wapenlieden had ontboden om naar Ieper te komen. Het waren mannen van Veurne-Ambacht, Bergen-Ambacht, Poperinge en van de kasselrij van Ieper en de andere kleine steden. Ze moesten met zijn allen de stad Ieper beschermen en verdedigen tegen die van Gent. Binnen de stadsmuren bevonden zich de goede lieden van Ieper samen met een ontstemd en kwaad arbeidersvolk, het gemeen genoemd.
Deze arbeiders vertrouwden de heren niet die dienden in het regiment van de graaf. Doordat de molens niet konden malen in Ieper, was er een gebrek aan brood. Een brood dat in het verleden 2 denieren had gekost, was nu 10 denieren duurder geworden en kostte nu al 12 denieren. Binnen twee dagen zou het brood helemaal uitgeput zijn zodat ze het zelfs niet meer met goud zouden kunnen kopen.
Op zaterdag 17 september, kort na de middag kwamen die van Gent voor de stad van Ieper. Ze bestookten de Komenpoort. Er dook een knaap op – een zekere Stuvinck – voorzien van een smissehamer en die het slot aan diggelen sloeg en zo konden ze zonder tegenstand binnenraken. Op de Grote Markt hadden de wapenlieden zich opgesteld bij de krijgsmacht van de edelen en de andere goede lieden van de stad om het gevecht aan te gaan. Ze hadden het schoon gezelschap gekregen van de heer van Diksmuide en zijn edellieden.
Samen met een deel poorters van de stad trokken die laatsten met de banieren van de graaf tot aan de Komenpoort. Maar toen ze ter plekke kwamen, bleken die van Gent er al binnengedrongen te zijn en begonnen ze al direct te schieten op de graafgezinden. De aanhangers van de graaf sloegen op de vlucht en vier of vijf van de goede lieden van de stad bleven ter plekke liggen. De Gentenaars drongen nu met zijn allen binnen in de stad en trokken massaal naar de Grote Markt.
Toen ze er arriveerden, sloegen de edelen en de goede lieden van de stad op de vlucht. Maar daarbij werden veel van hen verslagen. De volgende dag veroverden de Witte Kaproenen veel paarden en andere goederen. Het kwam nu tot een serieuze strijd op de Grote Markt. Het gemeen kwam nu van alle kanten van buiten de stadspoorten. Ze lieten de stormklok luiden waarop Jacob Van der Berst zich op kop plaatste en de massa ‘Vlaanderen de Leeuw en we willen onze vrijheden behouden’ schreeuwde.
Enkele rebellen liepen naar de woning van burggraaf Jan van Oultre om er binnen te breken. Maar ze raakten er niet binnen. De Gentenaars zouden zes dagen in Ieper blijven. In die tijdspanne stelden ze nieuwe dekens en hoofdmannen met Jacob Van der Berst als hun aanvoerder. Op vrijdagvoormiddag vertrokken de Gentenaars naar Diksmuide waar ze veel paarden en andere eigendommen veroverden. Dan raasden ze verder naar Veurne, Nieuwpoort, Sluis en uiteindelijk naar Brugge.
Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van De Grote Kroniek van Ieper


