Het was rond deze periode dat er in het centrum van de stad een schitterend belfort uit de grond rees, een toren die de versterkingen domineerde en van veraf bekeken, getuigde van de onafhankelijkheid van Ieper. Dat bevoorrecht stedelijk belfort beschikte voor 1231 al over zijn symbolische draak, zijn stadsklok, zijn wapenopslagplaats en zijn gevangenis en er was dan zelfs al sprake van een voorlopige schepenkamer.
Ieper bezat dan ook al geruime tijd zijn stedelijk wapenschild of stadsembleem, zijn patriarchaal kruis met de dubbele balken en een stedelijk zegel met de afbeelding van het stadsembleem. Het oudste stadszegel dat aangetroffen werd in onze stedelijke archieven was samen met dat van de Sint-Maartensabdij vastgehecht aan een overeenkomst die in 1208 afgesloten werd tussen proost Heliseus van Sint-Maartens en de schepenen van de stad.
Gemaakt van groene was met de voorstelling van een dubbel kruis, geflankeerd door twee vleugels en de tekst ‘sigillum scabinorum et burgensium de Ypra’. Het stedelijk zegel was, net zoals dat van de kerk uitstekend bewaard gebleven.
We konden eveneens melding maken van een groot deel privileges die toegekend waren aan de gemeenschap van Ieper. Zoals bijvoorbeeld de vrijstelling van tolrecht te Diksmuide en te Steenstrate. En eveneens van andere vrijheden die toegekend waren aan de handelaarsgilden waarrond de stad zich ontwikkeld had. Maar deze privileges gaven meer richting aan de grote vooruitgang die de lakennijverheid meemaakte dan aan de wetgevende vrijheden van onze stad.
Het zou vrij moeilijk zijn te weten te komen in welke tijden de burgerij de verplichting op zich genomen had – kenmerkend voor de burgerlijke vazalliteit – in ruil voor zijn stedelijke vrijheden. Al die verplichtingen bestonden al sinds lange jaren in Ipra. Ze waren toegevoegd aan het aantal feodale lasten dat opgelegd was aan de arbeiders van het land en die verplichtingen waren niet beperkt of precies vastgelegd.
Gewoonweg omdat de feodaliteit aanvankelijk op goed geluk werd toegepast door de heren die elke vorm van recht en vrijheid van de meerderheid der bevolking compleet negeerden.
De inwoners van de stad van Ipra leefden dus aanvankelijk volgens de principes van de landarbeiders, de mannen die eigendom waren van de regionale heer. Ze waren als slaven onderworpen aan allerhande lasten en korveeën die hun meester hen naar eigen goeddunken oplegde. Toen de graven geleidelijk aan – en in hun eigen belang – onze stad stichtten, plaatsten ze de Ieperse burgers in een uitzonderlijke en geprivilegieerde positie.
Niet dat ze nu luidop verklaarden welke hun rechten waren maar eerder door het opheffen van bepaalde dienstbaarheden, opdrachten en karweien. Andere feodale verplichtingen lieten ze bestaan, maar die werden nu opgelegd aan de stad en niet langer aan zijn inwoners. Want de heren transformeerden hun individuele vazallen tot één juridische eenheid die nu samen een stedelijke entiteit uitmaakte. Door de stedelingen vrijheden te verlenen, gaven de graven specifiek aan welke verplichtingen er wel nog dienden gerespecteerd te worden, zij het dan wel in de vorm van een wettelijke stad.
Die stedelijke lasten werden aanvankelijk vastgelegd, bepaald of zelfs geaccepteerd door akten of formele afspraken die onderhouden werden omdat ze niet ingetrokken werden. Ze kwamen enkel tot stand omdat ze lange tijd onderhouden waren tot ze uiteindelijk verplicht werden. Later en met de bedoeling om in eigenbelang de welvaart van handel en nijverheid verder te ontwikkelen, werd de reeks vrijheden stelselmatig uitgebreid.
De graven kenden aan de burgers talrijke bestuurlijke, politieke, industriële en commerciële privileges toe. En telkens werden die privileges – zelfs tot nog in 1171 – bevestigd in onze stedelijke keuren. Al die vrijheden en privileges stonden er in geschreven vorm bepaald, wat voor zowel de vrijheden als de feodale verplichtingen het geval was. Nergens trof men ook maar een spoor aan van nieuwe verplichtingen aan die opgelegd waren aan de stad als geheel.
Dat verklaarde waarom men onmogelijk te weten kon komen wanneer de stad Ieper zoals andere vazallen, burgers of heerlijkheden zijn eigen verplichtingen had ontvangen. Het was eveneens moeilijk – zo niet onmogelijk – om te zeggen hoe en aan welke voorwaarden de gemeenschap voldeed aan zijn feodale verplichtingen vanaf het tot stand komen van de stad en zelfs tot voor de 14e eeuw.
Een precieze aanduiding van de sommen die betaald werden in de vorm van werk of giften, huwelijksgiften, kosten bij een of andere blijde intrede, losgeld voor krijgsgevangen prinsen, bestemd als diensten en services voor de graven als die in de stad verbleven en voor het onderhoud van hun woning en natuurlijk ook om de milities in wapening te stellen toen ze werden opgeroepen in het geval van een heerban om te gaan strijden onder de banier van hun heer.
Geen van alle bedragen en bijdragen die dienden als invulling van de stedelijke plichten tegenover de heer konden teruggevonden worden in de stadsrekeningen waarvan de oudste dan nog maar erg onvolledig dateerden vanaf 1280.
Het was dus pas vanaf die tijd dat de tresoriers ons inlichtingen konden verschaffen over de stedelijke uitgaven die bedoeld waren om de stedelijke verplichtingen tegenover de heer te voldoen. Vanaf het begin van de 14e eeuw stond de stad Ieper regelmatig financiële steun of subsidies toe aan zijn graven. Het bedrag van die sommen werd vastgelegd na de oprichting van de Staten van Vlaanderen, m.a.w. door de goede steden van Vlaanderen conform ‘Het Transport van Vlaanderen’.
Onder de dominantie van de hertogen van Bourgondië zouden in de toekomst deze financiële bijdragen beduidend en regelmatig opgeëist worden, zeg maar afgeperst op een manier die de stad en zijn burgers ruïneerden. Meerdere documenten uit de 13e eeuw vermeldden vrijwillige schenkingen die de stad Ieper verrichtte aan onze graven van Vlaanderen. Gwijde van Dampierre kreeg op zijn verzoek in 1289 390 ponden en vervolgens in 1296 nog eens 20.000 Artesische ponden. De inwoners van onze stad deden uit zuivere beleefdheid nog schenkingen aan Filips de Schone, koning van Frankrijk en soeverein van Vlaanderen.
Diverse giften met onder andere een van 300 ponden zouden in 1311 en nog later toegekend worden aan Robrecht van Bethune, en vervolgens aan zijn opvolgers. Allemaal uit beleefdheid van onze stad tegenover onze heren. Mathilde; de dochter van graaf Robrecht van Bethune zou in 1314 toen haar huwelijk gevierd werd in de Ieperse lakenhalle een huwelijksgift van 4.000 ponden krijgen. Geschenken (vaak schitterend) werden door Ieper aangeboden aan de graven van Vlaanderen op de dag van hun blijde intrede in de stad. Er waren eveneens presentjes voorzien voor de heren, dames en de lieden van het grafelijk gevolg.
De rollen en de registers van onze tresoriers bewezen dat deze stedelijke plicht al vroeg vervuld werd, met een generositeit die waardig was van een grote en machtige stad. Volgens een lokale overlevering werd het rantsoen van Gwijde en Jan van Dampierre (de zonen van Margareta van Constantinopel) die gevangengenomen waren tijden het gevecht van Westkapelle rond 1253 grotendeels bekostigd door onze stad.
De gravin was speciaal naar Ieper afgezakt om beroep te doen op de generositeit van zijn burgers. De schepenen die ontroerd waren door de ellende en de tranen van de prinses konden het niet over hun hart krijgen om de bedragen niet op te hoesten die nodig waren om hen op vrije voeten te krijgen. Ze haalden het geld uit de tresorie van het belfort en legden voor hun prinses aanzienlijke bedragen op tafel, samen met juwelen, gewijde vaten en allerhande kostbare voorwerpen die bewaard werden in de tresoriekamer.
Bij het zien van al die rijkdom die ze aanboden om haar zonen vrij te kopen, had de ongelukkige moeder uitgeroepen ‘dank, dank, mijn kinderen. Mijn zonen zullen altijd jullie broeders blijven. Vanaf vandaag zal ik voortaan alle Ieperse burgers als mijn eigen kinderen beschouwen!’ Zowat alle lokale chroniqueurs vertelden die gebeurtenissen rond deze ontroerende scene. Volgens deze analisten was het vanaf die datum dat de Ieperlingen de eretitel van ’kinderen van Ieper’ hadden gekregen.
Maar die episode uit onze lokale geschiedenis en de vertelde details werden dan wel door geen enkel authentiek document bevestigd. Hoe dan ook moest deze ontroerende lokale historie op een grond van waarheid berusten. Want historicus Meyerus leerde ons dat de onderhandelingen om de adellijke gevangenen in vrijheid te stellen, verlopen waren op vraag van de vijf goede steden van Vlaanderen en niet in naam van de prinses.
Ieper, de derde goede stad van dat vijftal was trouwens tussengekomen in deze onderhandelingen en dus was het erg waarschijnlijk dat de stad ook in aanzienlijke mate had bijgedragen tot de betaling van het rantsoen van de gevangen edelen. Op het einde van de volgende eeuw, rond 1398, zou onze stad nog eens een forse som betalen voor de bevrijding en verlossing van monseigneur, de graaf van Nevers en oudste zoon van Filips de Stoute die in handen van de Saracenen was gevallen.
De Ieperse arbeiders waren al van in vroege tijden verplicht om gratis of aan sterk gereduceerde prijzen levensmiddelen en brouwsels te verschaffen aan hun graven toen ze in hun stad verbleven. Deze oeroude belasting dateerde nog van in de feodale tijd en was feitelijk nergens vastgelegd. Maar het waren de graven die de mate van deze verplichting bepaalden. Dat was vaak een dure aangelegenheid want de graven verbleven dan in de diverse steden van hun graafschap.
Met geschreven brieven uitgereikt in maart 1202 kregen onze schepenen en burgers en die van de andere Vlaamse steden van graaf Boudewijn (die klaarstond om naar Jeruzalem te vertrekken) de afschaffing van een recht dat hij en zijn voorgangers bezaten om een tol van 3 denieren te heffen op de wijn. Het was een gebruik dat blijkbaar al van in de vroegste tijden in gebruik was in Ieper.
De opvolgers van graaf Boudewijn reglementeerden het recht dat ze bezaten om zich levensmiddelen te laten leveren door de steden. Dat recht stond bekend onder de term van ‘spicarium, espier, spijker of ’s gravenrecht’. Later werden die bijdragen vervangen door geldelijke sommen.
In de 15e eeuw zou de espier opgemerkt worden voor wat betrof de visvangst in onze vestingen en ten tijde van de handelsforen. Een deel van die opgelegde taksen werd net zoals de vrijwillige giften van de schepenen in de schatkist van de graaf gebracht. Nog lang voor 1302 hielpen de Ieperse burgers hun graaf om zijn vijanden van zich af te duwen en de rechten van zijn heerlijkheid te verdedigen.
Ze vervulden op die manier een van de belangrijkste taken die opgelegd waren aan de burgerlijke en adellijke vazallen, m.a.w. het vervullen van de militaire dienst die hier omschreven stond als ‘heerban’. We hadden het hier dan nog niet eens over de Ieperlingen die volgens onze kroniekschrijvers de graven volgden naar het heilig land. Dat waren Robrecht van Jeruzalem, Dirk en Filips van de Elzas. Deze vrijwillige kruisvaarders vochten uit liefde voor god tegen de Saracenen en niet als burgers die een stedelijke plicht vervulden. Maar al in 1071 deden Ieperse milities hun deel in de succesvolle veldslag van Cassel.
Ze dienden onder de banier van Robrecht de Fries en verdedigden in 1127 hun stad onder Willem van Lo. Ook in 1213 en 1297 kwamen ze in actie en we kenden het prima parcours dat ze afgelegd hadden tijdens de slag van Kortrijk in 1302, in de rangen van de zoon van Gwijde van Dampierre die dan net zoals zijn zoon Robrecht van Bethune opgesloten werd in een Franse gevangenis.
Meer dan eens beperkte de gemeenschap van Ieper zich niet tot het leveren van milities. Ieper deed ook aanzienlijke uitgaven om de versterking van het land te verbeteren. Zijn schepenen schonken in 1296/1297 de som van 3.000 Parijse ponden aan Gwijde van Dampierre toen zijn leger opgetrommeld werd in Rijsel. En later, vanaf de 14e eeuw trof men regelmatig gelijkaardige uitgaven aan die door onze tresoriers uitbetaald waren om de grafelijke wapening te financieren of te onderhouden.
Wapeningen die gebeurden onder de vlag van de graven, die van onze stedelijke milities, onze gilden en ambachten. De aangehaalde feodale rechten en plichten typeerden de ontwikkeling van deze gemeenschap die als ‘stad’ kon omschreven worden.
De vermelde gebeurtenissen en documenten bijna allen voorafgaand aan de 14e eeuw bewezen dat de Ieperse burgerij, net zoals de edele vazallen van de graaf eigen voorrechten bezaten en hun feodale verplichtingen nakwamen. De gemeenschap Ieper was dus ingesteld als zijnde een burgerlijk vazalschap of stad, nog voor 1302. Voor de rest was deze gemeenschap er net zoals de edele vazallen aan gehouden om zijn eed van trouw en manschap af te leggen bij elke verandering van heer.
Het stadsrecht met alle privileges van dien waar Ieper als stad van genoot, kon net zoals de lenen geconfisqueerd worden door de graaf in gevallen van strafbare feiten en andere inbreuken. Het afleggen van de eed van trouw en manschap gebeurde op de dag van de blijde intrede van de nieuwe heer/graaf te Ieper. Eerst en vooral pleitte die zelf om een goede en loyale heer te zijn en de wetten, privileges, vrijheden en gebruiken van de stad te beschermen en te onderhouden. Hij beschermde in één woord de wetgevende rechten van de stad.
Vervolgens legden de burgers hun eed van trouw en manschap af, en zwoeren ze dat ze goede en trouwe onderdanen en vazallen zouden zijn en hun heer te helpen om de rechten en de wetten van de heerlijkheid te helpen beschermen, net zoals dat het geval was met de grenzen van het graafschap en alles te doen wat verondersteld was van goede en trouwe onderdanen voor hun geduchte heer en prins. Met andere woorden om alle plichten te vervullen die hen opgelegd waren in ruil voor het bekomen stadsrecht.
Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van De Grote Kroniek van Ieper


