Het jaar 1847. De gemeenteraad van Ieper had een geul laten graven in de Elverdingestraat, bestemd om er een goot in aan te leggen. De geul werd uitgegraven tot meer dan twee meter onder het niveau van de huidige wegbedekking. Bij dat graafwerk ontdekte men de restanten van drie voormalige steenwegen.
1. Op een diepte van 85 centimeter een laag kiezelsteen in silex met een dikte van 10 centimeter.
2. Op een diepte van 135 centimeter een andere laag kiezelsteen identiek als de eerste laag.
3. Op een diepte van 175 centimeter een steenweg die aangelegd was met ijzerhoudende stenen met een gemiddelde dikte van 15 à 20 centimeter. Die bergstenen waren gelijkaardig aan diegene die men nog kon aantreffen op de Kemmelberg en de naburige hellingen. De stenen waren niet fijngemaakt of zelfs vierkant gemaakt. Ze vormden samen blokken van onregelmatige vorm en leken gevoegd met een soort beton. Op deze bestening had men hoefijzers aangetroffen. Die werden afgegeven aan het stedelijk museum. Men had er ook nagels, enkele restanten van potterie en andere gebruiksvoorwerpen van die tijd aangetroffen.
Onze oudste stadsrekeningen (van rond het einde van de 13e eeuw) gaven ons inzicht over de betaalde sommen voor de bestening van de Elverdingestraat, de Diksmuidestraat en andere straten die uitgaven op de stadspoorten. Het was dus waarschijnlijk dat die bestening nummer 3 nog voor of tijdens die jaren werd aangelegd. De kiezellagen nummers 1 en 2 waren vanzelfsprekend van recentere datum. Volgens de historici Noel, Carpentier en Puissant dd. 1835 te Parijs werden er pas rond 1185 twee grote dwarsstraten aangelegd in Parijs. De eerste liep van zuid naar noord en de andere van oost naar west. Deze steenwegen waren samengesteld uit grote vierkante zandstenen tegels. Volgens mij imiteerden onze schepenen in de loop van de daaropvolgende eeuw het voorbeeld dat gegeven was door hun Parijse collega’s.
In de plaats van vierkante zandsteentegels gebruikten ze die grote ijzerhoudende stenen die ze tegen vrij lage kosten konden ontginnen op de Kemmelberg en die gemakkelijk konden vervoeren naar Ieper. De beslissing om die primitieve en stevige bestrating aan te leggen, werd feitelijk genoodzaakt door de aard van de Ieperse bodem en zijn ondergrond die inderdaad bijzonder moerassig was en allesbehalve stevig. Iets wat men natuurlijk bleef ondervinden in de 12e en 13e eeuw bij het bouwen van diverse stedelijke monumenten en andere stenen gebouwen.
Dat gebeurde telkens op houten rasterwerk met de allure van een bos op stelten.
In de 19e eeuw kon men nog regelmatig deze oorspronkelijke paalfunderingen aantreffen in de Ieperse bodem. Ieper werd dan ook volgens onze kroniekschrijvers gebouwd op die houten palen. Later werd de ondergrond stilaan met een hogere dichtheid gemaakt om op zijn minst het aanleggen van een stedelijk wegennet mogelijk te maken. Men kon zich dan tevredenstellen met eenvoudige kiezelsteenlagen zoals we die aangetroffen hadden in de Elverdingestraat. De restanten die in 1847 ontdekt waren onder de Elverdingestraat herinnerden ons aan de diverse bestratingssystemen die te Ieper toegepast werden voor het gebruik van bestening van de 17e eeuw en ongetwijfeld eerder.
De zandsteen die daarbij gebruikt was, kwam vanuit de omgeving van Douai en was via het water tot aan Waasten gebracht en vandaar per wagen naar Ieper.
De overblijfselen van de drie opeenvolgende besteningen bewezen dat sinds de 13e eeuw het niveau van onze straten in de noordkant van de stad opgehoogd was met ongeveer twee meter en minder in het laagste deel van Ieper. Dat feit werd voor de rest ook nog eens gestaafd door de onderste constructies van onze oude gebouwen. Het was zo dat de basis van de kolommen die de vouten ondersteunden waarop de eerste verdieping van de lakenhalle rustte compleet ingegraven waren, hoewel de zone van het gelijkvloers van het gebouw een beetje lager lag dan de openbare weg. Het was ook het vermelden waard dat er in vroegere tijden een trap van verscheidene treden van de Kleine Markt leidde naar het westelijk portaal van de Sint-Maartenskerk, daar waar men nu op het zelfde niveau binnentreedt.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


