De jaarboekschrijvers beweerden wel dat graaf Boudewijn de Kale hier aan de oevers van de Ieperlee een burg liet bouwen, maar op dit tijdstip gedroeg de vorst zich effectief als een grootgrondbezitter zodat hij zich ongetwijfeld met een omwalling tevredenstelde. Mogelijk was die omwalling beter aangelegd en van drie torens voorzien en gebouwd op het eiland dat gevormd werd door de Ieperlee, zoals de kronieken dat wilden. Uit die informatie konden we nochtans niet de exacte ligging van deze eerste burg afleiden.
Oorspronkelijk kon hier immers geen eiland ontstaan zijn. Want als een waterloop door geen verschillende aardsoorten vloeide zoals dat hier het geval was, zou ze in principe in de vorm van een ‘V’ hebben moeten vloeien. Met de Ieperlee was dat evenwel helemaal niet het geval want de ene arm maakte omzeggens een rechte hoek terwijl de andere gewoon rechtdoor liep. En dat deed ons vermoeden dat deze arm gegraven werd door mensenhanden ten voordele van handel en nijverheid.
Waar lag dan de oorspronkelijke omwalling van de eerste Ieperse landhoeve? Om dat te weten te komen, moesten we eerst proberen uit te vissen waar de burggravenwal precies gelegen was. De wal van de kastelein zou in 1318 buiten de Elverdingepoort vermeld worden, dat was de plek waar de kasteleins reeds eeuwen vertoefden. Rond 1339 zou Gerard van Oultre zijn titel van kastelein inruilen voor die van burggraaf. Maar hij zou daarbij wel niet van verblijfplaats veranderen.
Zijn opvolger en zoon Jan van Oultre zou hem in 1379 opvolgen als burggraaf van Ieper en ook hier zijn intrek nemen. Tijdens het beleg van Ieper zou hij de verdediging van de stad op zich nemen. Daarbij zou hij echter de voorgeborchten moeten prijsgeven. Deze zouden compleet verwoest worden met inbegrip van deze wal.
Na de bevrijding van Ieper zou Jan van Oultre in elk geval moeten uitzien naar een andere huisvesting. Dat zou ongetwijfeld de burggravenwal zijn en bekend worden als het ‘wallekin’ die zich situeerde achter het Vleeshuis ten westen van de Boomgaardstraat. Vreemd genoeg zou die plek al in 1505 door de toekomstige inwoonster omgeruild worden door een huis in de Rijselstraat dat toen bekend zou staan als ‘Het Burggravenhuis’. Het leek er sterk op dat het ‘wallekin’ een minderwaardig en vervallen gebouw was dat tijdelijk in gebruik werd gegeven na het beleg van Ieper in afwachting van de complete restauratie van ‘Het Burggravenhuis’ in de Rijselstraat.
Het was best aannemelijk dat die eerste Ieperse landhoeve feitelijk op de plek stond van het ‘wallekin’ die in wezen dus de primaire wal ervan was. De ligging ervan en de nabijheid van het hof ‘Ter Hamme’ kwamen in elk geval perfect overeen met de ligging en de inrichting van de oorspronkelijke landhoeven. Die lag immers tussen de Ieperlee en het uiteinde van de heuvelrug die men in de Rijselstraat ontwaarde en die vervolgens zachtjes afdaalde naar de Ieperlee, nog altijd zichtbaar in de ABC-straat en de Sint-Elisabethstraat. En trouwens ook geflankeerd door de Burchtstraat.
Uit de stadsrekeningen van 1325 zou blijken dat er ter hoogte van deze wal, het hof Ter Hamme en de flankerende molen ook restanten van de eerste landelijke landhoeve werden aangetroffen. Hof Ter Hamme werd bij zijn start aangelegd in de bocht of de kromming van de Ieperlee. De groei van de nijverheid en de handel zouden met verloop van tijd het graven van een tweede arm gevergd hebben zuidelijk van de wal van ‘Ter Hamme’. De bewuste molen van Ter Hamme was eigenlijk een watermolen die in annex stond van ‘Ter Hamme’ en die gelegen was op de noordoostelijke hoek van het Oude Konijnstraatje. De molen werd in beweging gebracht door het water van de Ieperlee en zou pas in 1830 uit het stadsbeeld verdwijnen.
De eerste landhoeven in het primitieve Vlaanderen waren erg uitgestrekt. Zo was dat ook het geval voor Ieper. De uitgestrektheid was zo bepaald dat de uitbater of de toeziener ervan in staat moest zijn om op één dag tijd de omloop ervan te paard te kunnen afleggen. De term omloop zou zich in de geschiedenis van Ieper verankeren in de Ommeloopstraat of de Omloopstraat die dus de grens uitmaakte van het Ieperse domein.
Op de hedendaagse landkaart zou het traject ervan duidelijk blijven: van het westen van het Iepers grondgebied aan de Frezenberg loopt de Omloopstraat noordwaarts tot op ongeveer 500 meter van de kerk in Brielen en gaat dan verder in oostelijke richting tot aan de mijlpaal tussen het Wieltje en Sint-Juliaan. Daar buigt de weg af naar het zuiden tot aan de Roeselarestraat, tot in Zillebeke waar ze een verlengstuk uitmaakt van de Wulvestraat, ook wel ‘Grote Scachtelweghe’ geheten of beter bekend als de Schachteweidestraat.
De rest van de omloop zou gaandeweg uit het landschap verdwijnen omdat Voormezele en Zillebeke onder het patroonschap van de abdij van Voormezele stonden terwijl de rest van het parcours onder dat van de Sint-Maartensproosdij en daardoor zou dat stuk weg met het verloop van de jaren zijn betekenis verloren hebben voor Ieper. Voor wat de Ommeloop betrof, kon er mathematisch bewezen worden dat in 1295, bij het graven van Zillebekevijver er een stuk van de Ommeloop werd in opgenomen. Een oorkonde van 1430 zou het hebben over een 66 are land aan de beek voor de kerk van Zillebeke die zich uitstrekte tot aan de Ommeloop. Het ‘Noordhof’ in Brielen zou vermoedelijk nog een restant zijn van een afhankelijkheid van die oorspronkelijke villa.
Dit is een fragment uit Boek 0000-1289 van De Grote Kroniek van Ieper


