banner
mei 21, 2026
5 Views
Reacties uitgeschakeld voor Vernielde schoonheid

Vernielde schoonheid

Written by
banner

Zaterdag 19 juni 1915. In de bouwval van ‘De Rooden Hert’ en onze mess had ik tot gisteren de nacht doorgebracht. En nu moest ik verhuizen naar de dug-out van de kapitein die zelf vertrok voor een vijfdaags verlof in Engeland. De dug-out was een typisch voorbeeld van een smal langwerpig graf van drie op anderhalve meter. Voorzien van een plank aan één zijde waarop ik me te slapen kon leggen. Ik bemerkte een tafel die ergens uit een of andere boerderij moest gepikt zijn. Mijn laatste nacht was best comfortabel verlopen nadat ik trouw en nauwgezet had moeten afrekenen met enkele opdringerige vliegen, met inbegrip van één van die gigantische en obsceen-blauwe bromvliegen die het land teisterden en dan vooral de loopgraven. Echte beesten waren het.

Voor ik in mijn bed kroop, keek ik rond naar de nachtelijke scene. Boven me bevond zich een diepe onmetelijke lucht met zijn vertrouwde sterren, zo sereen als de dood. Meer naar beneden, rond de horizon werd de vrede gebroken. Onze eigen loopgraven waren vastgeknepen in een scherpe boog zodat de vijand ons van drie kanten omsingelde. In bijna elke hoek van de horizon voor me zag ik bewijzen van de enorme drama’s zie er zich afspeelden. Een enorme tentoonstelling van pyrotechnische vaardigheden. Vanuit noordelijke, zuidelijke en oostelijke richting schitterden en flikkerden zoeklichten in het rond, die zich telkens weer herhaalden.

En wee diegene die naar zijn plaats in de loopgraven liep als die plots door die vuurbakens gespot werd. Hij zou zich beter direct neerleggen en stilliggen tot het weer duister zou worden en de sluipschutters het geweer van hun schouder zouden weghalen. De oorlog was niet alleen met het blote oog te zien maar natuurlijk ook duidelijk te horen. Vanuit de driehoekige horizon voor me hoorde ik een monotoon knarsen van geweervuur.

Eeuwigdurende machinerie met zijn ‘plipop, plipop, plipop’. Iets wat het midden hield tussen een massa druppende goten en een gigantische karnemelkdraaier. Of als een cricketveld met veel personen aan het net. Het was een geluid dat de hele nacht zou aanhouden, altijd maar verder en verder, deze verdwaalde kogels die ergens hun weg naartoe zochten en het me duidelijk maakten dat de oorlog zich niet door de duisternis liet afstoppen.

Ergens in het noorden blafte een groot kanon. Met een hevige knal en lichtgeflikker resulterend in de suizende vaart van een van ver afkomende granaat die het uiteindelijk tot een al even heftige explosie bracht. En dan sloot een ander kanon zich daarbij aan, tot de Duitse houwitsers toe waren aan hun reactie. Na een korte opwelling vielen ze nu weer allen in slaap en lieten ze de nacht weer over aan het karnen van de schutters en de eindeloze verkenningstocht van de zoeklichten. En hoog boven al die nietige en hatelijke inspanningen van de sterfelijke mens strekte zich het met sterren gepiercete gordijn van de oneindige nacht uit, sereen en onbewogen. Ik dacht aan onze eigen nietigheid en kroop in mijn bed. Herberg ‘De Rooden Hert’ was een vermoorde woning.

Aanvankelijk dachten we daar niet eens aan, we beschouwden het enkel als een bouwval, iets wat gestorven was en vervallen. Na een tijdje voelde dat anders aan. De matras waarop ik de eerste nacht had geslapen werd nog enkele weken geleden beslapen door zijn eigenaar. Een kast in de hoek bevatte nog de stofferige resten van een goedkoop servies. De lambrisering van de muren was afgerukt en de houten leuningen van de trap verdwenen. Het dak was doorzeefd door enkele afschuwelijke gasgranaten. De tragedie van deze plaats was hier als een dief in de nacht binnengebroken. Boven zag ik een bedroevende wanorde. De zomerlucht dreef binnen door de glasloze ramen. Afgebroken en achtergelaten meubelstukken lagen ondersteboven in de hoeken.

De vloer lag bezaaid met gekke en pathetische prullen, gescheurde vrouwenspullen, enkele vernielde foto’s, kledingstukken, platgestampte hoeden, gescheurde boeken en in de hoek van de kamer een ongedeerd fotokader van de gewezen baas en bazin van de herberg. De man, een gezellige dikkerd met opgekrulde snorranden en zijn erg naturel ogende echtgenote. Ze moesten muzikaal aangelegd geweest zijn want tussen de puinhoop vond ik hier en daar bladen vol notenbalken. En ze hadden kinderen gehad, want ik zag speelgoed en kinderboeken. Ik vroeg me af waar dit gezin zich nu bevond. Die mensen waren vertrokken, verdwenen of misschien niet eens meer in leven. Ik moest onwillekeurig denken aan wat ik in Ieper had gezien.

Mijn bezoek aan de stad dateerde nog maar van gisteren, het hedendaagse Pompeï, zo moest ik ze parafraseren. Buiten beschrijving, woorden waren er niet voor te vinden, alleen maar opwellende tranen. Puin! Puin! Puin! Bakstenen en gebroken muren, verscheurde straten met altijd maar stapels baksteenresten. Met daarboven uittorenend het vernielde overblijfsel van de glorieuze kathedraal. Ik had er door de stilte van zijn straten gewandeld. Mijn hart huilde hete tranen om de dwaasheid van ons, mensen. Wat ik hier moest bekijken was niet te vatten voor de geest, de verschrikking die te massaal omvattend was voor elk redelijk denkvermogen.

De gruwel van zijn desolaat zijn, allemaal het werk van mensen. Bakstenen, gevallen muren, gescheurde aarde en vernielde schoonheid allemaal samen verenigd in de ondergang. En dan nog eens overgoten met een verschrikkelijke stank die me alleen maar vertelde over de dood en die mijn zintuigen als woedende tentakels lieten wankelen. Door de bogen van half omgevallen muren van de restanten van een woning zag ik een eenzaam bord liggen. Ik klom over de puinhoop om het op te rapen, voorzichtig om toch maar niet te raken aan het waggelend metselwerk. En ik pikte twee intacte tegels op. Ze moesten me er blijvend aan herinneren wat Ieper ooit geweest was.

Maar God alleen wist dat ik dit bezoek nooit of te nimmer zou vergeten. Ronddolen door deze getroffen straten was een doodmakende ervaring. Want eens die grens overschreden kon je niet langer gevoelens voelen. De prachtige lakenhalle was een doorzeefd omhulsel, door de grote bressen in de muren kon ik de verwoeste fragmenten van oude fresco’s zien. En vlak er naast zag ik de enorme kuil van een 430-er granaat die gerust plaats kon bieden voor een klein huis. Bij het verlaten van deze dodenstad kwam er een onheilspellende schreeuw van een granaat boven mijn hoofd gevlogen, direct gevolgd door een explosie in een zijstraat. Het Duits werk was blijkbaar nog niet af…. Dat had natuurlijk te maken met menselijke beweging die gespot was door de vliegeniers.

En telkens, bij het eerste teken van een vijandelijke Taube weerklonken er drie fluitsignalen en elke aanwezige man hier direct in een of ander hol of gat dook tot een volgend teken weerklonk dat de vlieger overgevlogen was en de Britse geschutbatterij kon weer zijn gewoon werk hervatten. Het leven in Ieper was scherp en vinnig voor deze soldaten. Er waren niet alleen de vliegtuigen en de granaten waar ze op hun hoede voor moesten zijn. Er was ook nog eens het gas, een levende realiteit waar niemand licht kon overgaan. Een gasmasker met afzuiging hing altijd over ieders schouders. Gassen konden je binnen de paar seconden ondersteboven blazen en het effect van die toxische dampen duurde zeker vier uur. Vrolijk tuig!

Ik dacht bij mezelf dat ik nu waarschijnlijk zowat alle koosnamen voor de Duitse projectielen kon opsommen. Men kon ze grofweg indelen in twee categorieën; de ‘crumps’ (broodkruimels) en de ‘Kleine Willies’. Die laatste konden gelijk welke shrapnel of explosief zijn maar ze konden niet tippen aan de allure van de crumps. Van de crumps bestonden er diverse types. Zwarte Maria’s, Wollige Beren en White Hopes (de kleinere exemplaren) en de Jack Johnsons die daarentegen de grotere soort uitmaakten. Zo ik het begrepen had waren koolbakken en soort Jack Johnsons maar ze kleurden helemaal zwart bij hun explosies hoewel de Jack Johnsons een gelige tint lieten zien.

De Kleine Willies konden ook de subcategorie van de ‘Friendly Philips’ bevatten, een benaming die ze overhielden van hun vergelijkbaar onschadelijk karakter. Een ander type waren de ‘Whizz-bangs’ wegens hun gewoonte om een waarschuwing te laten horen bij hun naderende inslag. Grote en schadelijke hoog explosieve granaten werden ook wel eens ‘Dirty Dicks’ genoemd. En de ‘Archibalds’ waren anti-vliegtuig granaten.

Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1915
banner