Dinsdag 16 augustus 1566. Bij het aanbreken van de ochtend was het al direct pantomime. De ambachtslieden die de stad vannacht nog beveiligden, bleken vanmorgen in geen velden te bespeuren. Het leek er wel op dat ze de zijde hadden gekozen van de ontevreden man in de straat waar ze per slot van rekening zelf deel van uitmaakten. Een groepje mensen uit Hondschote bood zich aan om misdiensten bij te wonen in de Ieperse kerken en kreeg er warempel de toelating voor. De heiligenbeelden kregen er weer van langs. De kapel van de grauwe broeders deelde in de brokken. De voogd en zijn schepenen liepen haastig tot ginder, maar konden niet veel anders dan hulpeloos toe te kijken. Ze lieten de briesende mannen hun gang gaan. Wat later werden nog eens dertig Hondschotenaars binnengelaten, maar het waren toch ook onze eigen inwoners die de grootste malheuren aanrichtten.
De kerk van de predikheren werd nu bestormd en tot een bouwval herleid. De priesters en hun pracht en praal waren de gebeten honden. Kinderen, pubers en alle soorten van gewone mensen braken de inboedel af, liepen en stormden door het heilig gebouw, vraten en zopen wat ze vonden. De kerk van Sint-Niklaas onderging wat later hetzelfde lot. De doopvont werd brutaal ondersteboven gegooid. Het groot orgel en de reeks altaren werden verbrijzeld zodat er haast niets meer intact bleef binnen in het gebouw. Pas nu kreeg ook Sint-Maartens de volle lading. De ongelovigen keilden orgels, altaren, boeken, smeedwerk op de grond en vertrappelden ze met stampende en springende voeten. Vooral de oude boeken waren kop van jut, samen met de heiligenbeelden, de zo gehate symbolen van de katholieke dwingelandij van de pauselijke kliek die er altijd maar op uit was om de werkman klein te houden.
Het ongenoegen zat diep bij veel burgers. Zelfs het altaar van Maria en haar beeltenis werden naar de verdoemenis geholpen. Alleen de kapel van de zwarte zusters ontsnapte aan de volkswoede. Vijftien man van de hoogbaljuw hielden het klooster beveiligd zodat hier amper schade zou aangericht worden. Rond 10u kwam er een oproep van de voogd dat alle katholieken zich een uur later naar de Grote Markt moesten begeven om de niet gebroken heiligenbeelden in veiligheid te brengen. De voogd vreesde immers een nieuwe raid van de andersgelovigen. Die hielden zich op dat moment op in de kerk van Brielen waar de geuzen de baby van Joos de Kerlis op hun eigen manier doopten. Rond de Grote Markt tekende een deel christelijke ambachtslieden en hun respectieve hoofdmannen nu wel present. Met een klein hartje, dat wel. Konden ze wel opboksen tegen deze kolkende massa heretiekers?
Gelukkig lieten die het centrum van de stad links liggen, zodat een directe confrontatie vermeden werd. Bij het verlaten van de stad lieten de heretiekers een spoor van ravage en vernieling achter. Daarbij volgden nog nieuwe inbraken in verscheidene kloosters en kerken. De kerk van Sint-Maartens werd nog een keer slachtoffer van hun geweld. De heren van de wet konden er twee beeldenstormers oppakken. Een andere probeerde tot bij het beeld van Onze-Lieve-Vrouw bovenop de voute van de lakenhalle te geraken. Maar de boosdoener werd na het nodig gedoe door de voogd gevangengenomen, maar vreemd genoeg wat later weer op vrije voeten gesteld.
Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper


