Zaterdag 31 december 1892. De West-Vlaamse spoorwegmaatschappij was nu eindelijk voor de dag gekomen met een plan voor een nieuw stationsgebouw te Ieper. Helemaal duidelijk waren de voorstellen echter niet en het Ministerie van Landbouw diende er nog zijn goedkeuring aan te geven. Voorzitter Surmont de Volsberghe meende dat er in elk geval grote stappen voorwaarts gezet waren in het dossier.
Maar schepen Colaert deelde dit optimisme allerminst. Onderhuids voelde hij nog altijd de slechte wil van de maatschappij om de nodige investeringen uit te voeren om een station te bouwen dat aangepast was aan de Ieperse noden.
In de hele discussie rond de aanvoer van onzuiver water naar de stad was de watercommissie nu tot een conclusie gekomen die gebundeld was in een brochure. Aangezien het niet mogelijk was om water aan te voeren vanuit het oostelijk plateau bij de Nonnenbossen was er dus maar één mogelijke oplossing overgebleven. Het water dat aangevoerd werd diende gedecanteerd en gefilterd te worden vooraleer ter consumptie te worden aangeboden.
Daartoe diende het omhooggestuwd in een watertoren van ongeveer 12 meter hoogte met daarbij aanpassingen aan de kanalisatie, de aanleg van een decantatiekom in een deel van de oude stadsvestingen, de nodige pompinstallaties, de bouw van een watertoren, de aanleg van filtreerbekkens en opvangbakken voor zuiver water, de eventuele installatie van een ijzerfilter in de decantatiekom en tenslotte de transformatie en het ontslibben van Dikkebusvijver.
De plaats van de watertoren was door de ingenieur voorzien op het einde van de Boterstraat maar die zouden ze liever geplaatst zien aan de hoek van de Elverdingestraat, vermits daar nu al een waterbekken aanwezig was. De kostprijs zou in totaal 500.000 frank bedragen en kon gefinancierd worden met een lening aan de hospicen aan 4% intrest per jaar.
Raadslid Vermeulen – de auteur van de brochure – had zich geconcentreerd op het Ieperse sterftecijfer om de noodzaak van zuiver water aan te tonen. De vervuiling van het drinkwater had grote invloed op het uitbreken van besmettelijke ziekten en epidemieën. Een tabel met de overlijdens over een periode van de voorbije 15 jaar – tussen 1876 en 1890 – leerde ons dat van de 6.383 overlijdens er 2.878 personen waren die niet eens de leeftijd van 50 jaar bereikt hadden.
Gemiddeld gesproken, betekende dat jaarlijks 429 overlijdens waarvan 192 jonger dan 50 jaar, welgeteld 45%. Van die 6.383 overlijdens diende 59% toegeschreven te worden aan ziekten of niet geklasseerde redenen en dat betekende dus 2.639 verdachte overlijdens. Daarvan waren er 2.128 (80%) toe te schrijven aan tuberculose, bronchitis en buikloop.
Die laatste ziekte alleen al had de voorbije 15 jaar gezorgd voor 500 slachtoffers, meestal kinderen en tijdens de maanden juli, augustus en september, toe te schrijven aan de consumptie van fruit en groente en zeker niet aan het gebruik van het drinkwater. En dus bleven er nog 1.628 overlijdens over (76%) die veroorzaakt waren door bronchitis, tuberculose en borstaandoeningen. Opmerkelijk was dat er bij die slachtoffers slechts één overlijden was te wijten aan tyfus.
Dat veel dodelijke slachtoffers hun oorsprong vonden in de consumptie van ons drinkwater was volgens raadslid Vermeulen een voorbarige conclusie. Epidemieën in onze stad waren zeldzaam geworden. Enkele gevallen van cholera in 1866 die toen van 29 doden had gezorgd en nog veroorzaakt werden door arbeiders die de ziekte gevangen hadden in Armentières. Vermeulen mocht dus niet overdrijven met zijn cijfers.
De sterfte in Ieper had weinig te zien met de kwaliteit van het drinkwater maar lag veel meer bij de natte bodem die doorspekt was van vuil afvalwater uit de grachten die zich dan vermengde met de waterputten en op zijn beurt dat de boosdoener was in de gevallen van bloedarmoede, leukemie, koningszweer, tuberculose, algemene zwakte en algemene ongesteldheid.
Hoe zat het met de kindersterfte? Tussen 1857 en 1866 waren er in totaal 1.963 kinderen van minder dan 3 jaar overleden. Meer dan een derde van het totaal overlijdensaantal van 5.187.
• 1.068 kinderen onder de 6 maanden
• 341 kinderen tussen de 6 en 12 maanden
• 375 kinderen tussen de 1 en 2 jaar
• 179 kinderen tussen de 2 en 3 jaar
De sterftecijfers voor de periode 1867-1876 toonden 1.813 kinderen (opnieuw zowat een derde van de in totaal 5.089 overlijdens), als volgt onderverdeeld:
• 571 kinderen onder de 6 maanden
• 342 kinderen tussen de 6 en 12 maanden
• 602 kinderen tussen de 1 en 2 jaar
• 298 kinderen tussen de 2 en 3 jaar
De periode 1877-1886 had geresulteerd in een kindersterfte van 1.448 kinderen beneden de 3 jaar. Voor de periode 1887-1892 (op 6 jaar tijd) was dat 789 overlijdens, wat dus op 10 jaar tijd zou uitkomen op ongeveer 1.315 overlijdens van kleine kinderen.
En dus was er absoluut sprake van een verbetering. En men kon toch moeilijk beweren dat al die kinderen gestorven waren door het water van Dikkebusvijver? Die arme kinderen hadden er nooit van gedronken! De oorzaken diende men op andere plaatsen te zoeken.
Dit is een fragment uit Boek 1877-1913 van De Grote Kroniek van Ieper


