Vrijdag 23 april 1915. Families worden al vroeg gewekt in Ieper. Als ze al geslapen hebben. De kanonnen dreunen nog altijd maar de beschieting van de stad is toch wat geluwd. De Britse kanonnen bulderen wel met ongewone heftigheid. In Boezinge-dorp is het een ware hel. Zodra de Duitsers op de oostelijke kanaaloever genesteld zijn, begint hun artillerie projectielen van alle kaliber, gepaard gaande met gasgranaten op het dorp af te sturen.
De gewonden stromen steeds talrijker binnen. Ze worden in de kelders gelegd, in de keukens, bovenkamers, achterkeukens en stallen. Overal ligt het vol. Ongedeerde Franse soldaten stormen de verbandplaatsen binnen om de wapens en munitie van de gewonden op te eisen en dan vliegen ze terug in een poging om de Duitse doorgang te beletten.
Gewonden die door de brancardiers worden aangebracht en voorzichtig over de puinhopen geholpen worden, krijgen nu te maken met shrapnels en granaatscherven. Ze worden door luchtverplaatsingen omhoog geworpen en samen met hun brancardiers dodelijk getroffen. Bloed bespat de muren. In de kerk kan niemand blijven want die wordt speciaal geviseerd. De stoelen en de houten lambrisering branden als toortsen. Geen enkele woning biedt nog dekking, ook niet meer de huizen in de Dorpsstraat waarin de gewonden liggen.
Overal gapen scheuren, barsten en gaten. De Duitsers kunnen dwars door Boezinge kijken. Hun geweerkogels bestrijken onbelemmerd de Elverdingestraat, nochtans een belangrijke uitvalsweg voor troepen en vluchtelingen. Na een onafgebroken bombardement van tien uur is Boezinge compleet verwoest. Kort na het middageten van de 24e vat de toren van de Sint-Jacobskerk vuur. Pastoor Delaere en zijn helpers slagen er in om tijdig de inhoud van de kasten en de versieringen van onder de brandende toren weg te halen. Morgenvroeg zal heel het gebouw in een reusachtige vuurgloed veranderen. Net zoals dat het geval is op heel wat locaties in de stad. Het vuur raast door een huizenrij in de Stationsstraat.
Heel wat inwoners lopen verwondingen op of overleven het drama niet eens. Bij huize Donck is de kelder vernieuwd. 50 personen zoeken er hun schuilplaats en deden dat beter niet. Want er is nu sprake van zeker twintig gekwetsten en meerdere doden. Afgelopen nacht was het opnieuw bangelijk in de rood gloeiende stad. Er is geen levend wezen te zien op straat. Wel veel te horen zoals de muur van grimmig artillerievuur, driftiger dan ooit. De partijen vuren hun fluitende bogen als lange degens naar elkaar. Wie is er nu het meest te vrezen?
Op de Kalfvaart is een 420-er ingeslagen en de hele straat ligt nu open. Een brandgeur waait de nieuwsgierigen tegemoet. Aan de westzijde van de Kalfvaart staan enkele huizen in brand. Rook en vlammen slaan door de glasloze ramen, wapperende gordijnen vatten vuur en geven de brand door aan het aanpalend huis. De vlammen likken aan de kroonlijsten tot ze krakend naar beneden storten. Eigenlijk zijn ze gemakkelijk te blussen maar niemand steekt nog een hand uit, want men is op de vlucht.
Daardoor verandert ieder huis stilaan in een vuurpoel. De daken storten in en doen een zee van gensters opstijgen die dan nog door een krachtige noordenwind opgejaagd wordt. Akelig om zien. Een niet te plaatsen geur doet de ogen tranen en prikkelt de kelen. Die odeur blijkt afkomstig van een tweede Duitse gasaanval in Langemark die door deze noordenwind tot bij ons arriveert. Later op de dag stijgen enorme rookzuilen op. Het college en de Sint-Jozefschool staan in brand. Meer naar rechts zijn ook al rook en vlammen te zien.
Afkomstig van het gerechtshof en de bibliotheek. De Kalfvaart die zo lang gespaard bleef, wordt nu het meest bedreigd. Voor de militairen zijn het harde dagen. Velen trekken op naar de frontlijnen om waar nodig de verdediging te stutten. Zo ook de soldaten die hun veld verlaten bij Ieper en nu op weg gaan naar Sint-Jan. Dat gebeurt in het duister van de nacht, kort na middernacht onder een regen die alsmaar heviger naar beneden komt. Straks om 4u in de ochtend zullen ze hun eerste aanval moeten inzetten.
Een beeld krijgen van Ieper is in die omstandigheden niet te doen. Het is al moeilijk genoeg om te marcheren in die gietende regen, in die volslagen duisternis langs een modderige en verminkte weg, geflankeerd door verbrijzelde populieren die zwarte strepen achterlaten aan de zijkanten van de straat. Inslag na inslag, ontploffing na ontploffing toveren de granaten zich overal hun weg rond de mannen en achterliggend in de brandende stad.
Door de zwarte skeletten van vernielde woningen vangen ze een glimp op van de gele vlammen die opstijgen tot in de lucht. Het kanaal over de IJzer – vuil en donker en met stilstaand water – weerspiegelt de gloed van de vlammen. Een dood paard verspert de route. Het geluid van de shrapnels boven de hoofden wisselt af met momenten van gruwelijk onvoorspelbare stiltes. En altijd maar die regen die naar beneden glipt. Geleidelijk aan wordt de weg ruwer en smaller met meer en meer hindernissen, afval van alle soorten.
Het gehucht van het Wieltje komt nader. Sint-Jan is al de revue gepasseerd. De geruïneerde kerk en het verbrijzelde kerkhof zijn die van Sint-Jan. In de verte doemen grote, vlakke velden op, gehuld in een mysterieuze duisternis. Het Wieltje verschuilt zich in een zwakke rode gloed. Meer dan wat smeulende puinen stelt het gehucht niet voor. Langs de grachtkanten zijn de stijf geworden silhouetten van lijken te zien. Aan een vreselijk door granaten gefolterde weg die oploopt naar een kleine heuvel volgt het bevel om weldra aan een aanval te beginnen.
Afgelopen nacht in de kelder van het Heilig Hart zal men de 25e maar moeilijk kunnen vergeten. Om de dertig à veertig seconden vallen wel drie tot vier projectielen op en rond het gesticht. De beschieting begon gisteren om 20u en duurt tot 4u vanochtend. Pas dan wordt het stil. Bij de familie Cornillie aan de Kalfvaart bidden ze de paternoster. Een beetje verder in de Pennestraat staan van de huizen deuren en ramen open.
Overal in het rond liggen rondgezaaide pannenbrokken, klompen metselwerk, aardkluiten en glasscherven in een bonte mengeling van verspreide bomtrechters. Hier kan men het echt niet langer volhouden. Een 420-er komt plots met groot geraas aan van boven de zwemkom. Het monster ontploft met donderend geweld op Doom’s fabriek, het latere Picanol.
De explosies blijven maar aanhouden. Vanaf 10u zaait een reeks vernietigende obussen weer moord en brand. Van de Sint-Jacobskerk blijft niet veel meer over dan een brandende puinhoop. De vlammen hebben zich niet beperkt tot de toren maar hebben gewoekerd tot in het schip van de kerk. Aan de zuidzijde van het brandende godshuis staan de aanleunende gebouwen ook al in lichterlaaie. Op andere plaatsen in de stad zijn eveneens heel wat woningen vernield of ten prooi van de vlammen gevallen. In de Diksmuidestraat en de Janseniusstraat bijvoorbeeld. Het justitiepaleis brandt.
De Grote Markt, de Leet, de behuizing van de lakenhalle en de Diksmuidestraat lijken op een desolaat achtergebleven slagveld. Vijf paarden, een ontmantelde munitiewagen, een verwoeste ambulance, hier en daar kledij, een groot pak dekens, de lijken van twee vrouwen en een soldaat liggen luguber op de met aarde bezaaide grond, naast stapels van uit de bodem gerukte kasseistenen of obuskraters. Later op de avond vallen er gewonden op de Oude Houtmarkt. Bij het ter hulp snellen van de slachtoffers exploderen obussen en shrapnels in de Korte Torhoutstraat, de Grote Markt en de Sint-Jacobsstraat.
Explosies die telkens gevolgd worden door blind makende wolken stof omgeven door puin en opvliegende aarde. Dunne splinters van explosies en kogels alom laten voortdurend glinsterende spetters van de blinkende kasseien opspringen. Het lijken wel dwaallichten, luguber en bijzonder kwaadaardig. Voor de soldaten die noodgedwongen hun passage door Ieper moeten maken, moet die doortocht een nachtmerrie zijn.
Zo bijvoorbeeld de passage van Frederic Coleman die bij het verlaten van de markt een geluid hoort als dat van een trein en de landing van een kolossale granaat op de Grote Markt aankondigt. Het mormel slaat in op de Grote Markt, doodt er elk aanwezig levend wezen, verpulvert ambulancewagens en allerhande voertuigen en vernielt het laatste overblijfsel van de lakenhalle met een storm van vuur. De buitenmaatse granaat is afkomstig van een of twee kanonnen die speciaal gebouwd zijn om de stad Ieper te verwoesten.
Het heeft de Duitsers enkele maanden tijd gekost om twee betonnen platformen aan te leggen om er vervolgens hun kanonnen op te monteren. Deze monsters van de dood beginnen hun vernielingsmissie vanuit Diksmuide, op een afstand van 35 kilometer. De voorbije dagen zijn verschrikkelijk voor Ieper. De arme bewoners beleven die als het einde van de wereld en toch weigeren honderden mensen nog altijd deze helse poel te verlaten.
Dit is een fragment uit ‘Het Boek – De Geschiedenis van Ieper’


