Woensdag 19 september 1579. Rond 9u werden de drie patiënten naar boven gebracht. Basilius Camerlynck was geboortig van Brugge, de andere twee waren afkomstig van Ingelmunster. Rond 10u brachten ze alles in gereedheid om hen te rechten. Het schavot verrees recht voor de lakenhalle, tegenover de comptoir van de hoogbaljuw. Om 13u was het zo ver.
De lakenhalle ging dicht. Voor de toegangsdeur stonden wachters, ondertussen las de vierschaar de akte van beschuldiging voor. Niemand wist momenteel wat precies de aanklachten waren tot er toch enkele briefjes op de marktplaats belandden. Tijdens de marteling zouden de mannen dan toch toegegeven hebben dat ze hier en daar wel wat verraad gepleegd hadden. Na al die pijnen en tormenten waren ze gezwicht. Hun straf was barbaars. Eerst moesten Basilius, Marx en Bernaert, vastgemaakt op een vlaak en vastgebonden aan paardenstaarten rond de Grote Markt gesleept worden. Daarbij zagen ze alle hoeken van de markt.
Basilius moest na zijn dood gevierendeeld worden en de vier stukken van zijn lijk zouden demonstratief opgehangen worden aan een schandpaal buiten een stadspoort. Zijn hoofd bleef binnen in de stad en kreeg een plaatsje naast de andere twee hoofden, die van Marx en Bernaert. Die twee zouden dus inderdaad ‘onthalsd’ worden en omdat de rechters toch enig medelijden betoonden voor hen, mochten hun lichamen begraven worden. Met uitzondering van hun hoofden die voor de lakenhalle op staven geplaatst werden.
En zo was er gerechtigheid gekomen, de rechters maakten hun borst nat dat ze goed voor ons hadden gezorgd. Broeder Basilius stierf terwijl hij dankbetuigingen schreeuwde naar de Heer en onder de belijdenis van zijn zonden. Ook Marx had god bedankt en nog geroepen aan de mensen dat ze deugdzaam moesten leven, en ook Bernaert was tijdens zijn laatste ogenblikken een vroom man geweest, hij bleef dankbaar tot het einde maar bleef wel hardnekkig vasthouden aan zijn onschuld. Het duurde nog tot 17u vooraleer broeder Basilius gekwartierd werd. De hoofden van de slachtoffers zouden pas op zondag op hun staven voor de lakenhalle gespietst worden.
Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper


