Zondag 20 oktober 1918. Als ik dacht aan de gelukkige dagen van Ieper, dan dacht ik aan goudgele smeuïge boter op geurige beschuiten, aan goede oude Bordeaux, waar we van genoten in deftige huizen, aan gebarsten schellen die rinkelden als men de deur van een zindelijke, ouderwetse winkel opende en glimmende koperen weegschalen, waarin de welriekende kaneel en de kruiden gewogen werden. In de schaduw van de lakenhalle, dat overblijfsel van de gemeentelijke grootheid, en van de toren van Sint-Maartens, leidde men een zacht, gelijkmatig en vredig leven in de huizen achter de trapgeveltjes.
Het geluk, de welvaart en de levensvreugde heersten in deze edelste van de dode steden. Er kwamen weinig toeristen. Die bleven te Brugge. Een enkele keer brachten de jonge elegante officieren, leerlingen van de cavalerieschool en de glorie van komende ‘concours hippiques’ een weinig leven in de stille straten. Zo was Ieper in de langgeleden dagen van de vrede. Gedurende vier jaar was deze ‘jardin clos’ en de rijke landstreek daaromheen, met Albert en Verdun, met Souchez en Les Eparges één van de verschrikkelijkste oorden op dat noodlottig front waar het lot van de mensheid beslist werd. Daar werd ons, onder de bevelen van French en Plumer, het duidelijkst de hardnekkige krachten van de Britten geopenbaard.
Die Britten die vooruitgingen, de tanden op elkaar geklemd, de voeten stevig in de modder geplant. Daar toonden – onder de orders van Foch – de Fransen hun heldhaftige stoutmoedigheid, terwijl de Belgen met de woede in het hart de heilige IJzer verdedigden. In het hartje van de winter 1915 zag men boven de stijgende modder bij Sint-Elooi, perfide als het zand bij Mont-Saint-Michel een stuk van een blauwe kapotjas of een arm met kaki bekleed, uitsteken. Tussen Vlamertinge en Ieper, waar de granaatkraters door elkaar lagen, waar men niets anders zag dan enkele pill-boxes, waren de houten wegen – door de Britse genie aangelegd – bezet met plaatsen, waaraan de soldaten tragische namen als ‘Hell Fire’ gegeven hadden.
Deze namen hadden bovendien het voordeel dat ze tot de verbeelding van de Britten spraken zodat ze die beter konden onthouden dan de Vlaamse en Franse namen. De Australiër en de Canadees, de mijnwerker uit Lancashire en de Cockney, die geboren was in de omtrek van St. Mary’s Bow Church, was er nooit in geslaagd ‘Ieper’ te zeggen. Hij had gevochten bij Wipers. De meest bekende frontkrant in Haig’s leger was de ‘Wipers Times’, die werd lange tijd geredigeerd en gedrukt in een kelder van de gemartelde stad, waarvan de ruïnes nog steeds hardnekkig beschoten werden door de Duitse artillerie.
Het schouwspel dat de stad nu bood, was verschrikkelijk. Men had me de geschiedenis verteld van een Ieperse burger die met de toestemming van de Britten terugkeerde om zijn spaarduiten op te zoeken die hij in zijn kelder begraven had. Hij slaagde er niet in om zelfs de plaats waar eens zijn huis moest gestaan hebben, terug te vinden. En toch had ik, een van dezer dagen, een sensatie van vreugde, toen ik bemerkte dat – ondanks alles – de Duitsers niet in staat geweest waren de trots van de lakenhalle, de trots van de stad compleet te vernietigen. De grondvesten van de muren stonden nog rechtop tot ongeveer één vierde van de oorspronkelijke hoogte. De bovenkant leek afgeknaagd en op bizarre wijze uitgekarteld.
In de verte dacht men afgescheurde stukken plaatijzer te zien. Het bastion van de oude vestingwerken bestond ook nog. Terwijl ik zo dwaalde achter het front bij het Wieltje, bemerkte ik enkele van onze soldaten die foerageerden te midden van de overblijfselen van een in puin gevallen huis, en er lappen zink verzamelden. Ik bewonderde de kalmte waarmee ze, onverschillig voor het fluiten van de granaten, hun vak van ‘oudroest’ uitoefenden. Op goed geluk af sprak ik hen in het Frans toe. Ze waren allen uit de provincie Namen of Luxemburg. Ik vroeg hen wat ze daar uitvoerden. Een van hen antwoordde knipogend; ‘we proberen een paar stuivers te verdienen voor we als op verlof gaan’. Ze verkochten dat zink voor een aardig prijsje aan het depot van hun regiment.
Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper


