De grote stadsraad of ‘Groot Gemeente’ of het schependom diende de gouverneurs, de verdelers en de armenmeesters en alle bedienden van die stedelijke beurs te benoemen. De rekeningen, inkomsten en uitgaven van deze instelling werden onderworpen aan de controle en goedkeuring van de stedelijke autoriteiten. De gouverneurs bestuurden de arme bevolking en konden reglementen opstellen, meer bepaald om arme valide behoeftigen tot werken te dwingen en hun kinderen naar school te sturen.
Ze konden hen niet enkel hulp ontzeggen, maar hen ook bestraffen en zelfs diegenen laten opsluiten die weigerden om te werken of om hun kinderen naar school te zenden. Diezelfde gouverneurs werden eraan gehouden om de nieuwgeboren weeskinderen aan voedstermoeders toe te vertrouwen en om hen later te plaatsen in de school die gesticht was met de stedelijke beurs, of in pension bij particulieren, of als leerjongens of -meisjes te plaatsen bij behoeftige volwassenen.
Tot slot werd het bedelen absoluut verboden, zelfs niet aan de poorten van de kerken. Hoe dan ook mochten de broeders van die geestelijke bedelorden, de andere religieuzen die leefden van de weldadigheid, de gevangenen, de bedevaarders en de leprozen blijven vragen om aalmoezen. Die uitzonderingen bevestigden als het ware de algemene regel. Op die manier steunde de hervorming op een privatisering van de weldadigheid, het verplichten om te werken en onderwijs te volgen, samen met het verbod om te bedelen.
Alle artikelen van het nieuw reglement werden in 1525 geformuleerd en verordend. Vooraleer die in uitvoering te brengen, had het magistraat die onderworpen aan het oordeel van een buitengewone algemene vergadering die samengesteld was uit hoge functionnarissen van de clerus, de hoofdmannen van de diverse gilden en de meest notabele burgers van de stad. Deze algemene vergadering kwam op 5 november 1525 samen in diezelfde schepenkamer waar de mooie compositie van kunstenaar Swerts in de 19e eeuw ons later zou doen herinneren aan de oprichting van de stedelijke beurs.
De vergadering keurde het project van reglement goed en besliste dat die voor een bepaalde proefperiode in voege zou worden gebracht. De datum van die vergadering en van de voorlopige goedkeuring van het nieuw reglement verdienden om onthouden te worden. Want die bewees dat deze hervorming die later in heel het land toegepast zou worden hier ten voorlopige titel te Ieper geïntroduceerd werd en dat die er gekomen was op initiatief van de Ieperse magistraten.
Het boek over die beroemde overeenkomst – ‘De subventione pauperum’, neergeschreven door Louis Vivès – verscheen te Brugge in november 1526 en werd in 1527 toegepast in Rijsel onder de naam van ‘l’aumône ou bourse générale’ en was daarmee volgens Monteil de oudste van de Franse bedelaarsbeurzen. De Ieperse stedelijke beurs werd actief vanaf het einde van 1525 en leverde de beste resultaten op. De clerus vergemakkelijkte de uitvoering van de nieuwe regeling door preken, adviezen en door hun aalmoezen. De Ieperse geestelijkheid toonde zich m.a.w. een loyale partner van het stadsbestuur.
Maar twee jaar later – in 1527 – begonnen de bedelorden, hoewel die verder aalmoezen mochten vragen een hevige oppositie tegen het nieuw reglement te voeren. Het aanvankelijk bescheiden protest werd met verloop van tijd heviger en heviger. Volgens deze geestelijken en andere theologen waren enkele regels eerder veroordeeld door de paus omdat ze in tegenstelling stonden met de doctrine van de kerkvaders aangaande de heretiekse gedachten die zich dan al begonnen te verspreiden in Duitsland.
Al snel veroordeelde de universiteit van Leuven het boek van Louis Vivès dat pleitte voor de principes die naar voor gebracht waren in het Ieperse reglement. Het was dus logisch dat de Ieperse magistraten toch wel begonnen te twijfelen aan de wettigheid van hun hervorming. En daarom beslisten ze nogmaals om hun reglement aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Op 10 september 1527 volgde een nieuwe algemene vergadering in de schepenkamer. Samengesteld uit hoogstaande kerkelijke figuren, de diverse leiders van de bedelorden en de leden van het Ieperse magistraat.
De controversiële kwesties konden niet uitgeklaard worden en het kwam integendeel tot een hevige polemiek. Die op zijn beurt leidde tot nieuwe conferenties waarbij de discussies heviger en irritanter werden. Kort gezegd: de partijen waren het niet eens met elkaar. De tegenstrijdige vraagstukken konden door deze verhitte gesprekken niet tot een oplossing leiden. Ze dienden eerst uitgeklaard te worden door hogere rechters waarvan de vroomheid, de wetenschappelijkheid en de neutraliteit niet ter discussie stonden. Er werd dus unaniem beslist om de kwesties voor te leggen aan de faculteit van theologie aan de Sorbonne te Parijs.
In Ieper stelden ze een lijvig dossier samen met alle aantekeningen, processen-verbaal en andere documenten. Twee afgevaardigden kregen als opdracht om dat dossier te gaan overhandigen in Parijs en de nodige tekst en uitleg te verschaffen aan de heren van de Sorbonne. Eén van die afgevaardigden was de theologiemeester van de minderbroeders. Een zekere Jean Crocius, een hardnekkige tegenstander van het reglement. De andere was Jean Passe, een lekenpriester die pro was. De voor- en tegenstanders van het reglement werden dus gelijkwaardig vertegenwoordigd bij de Sorbonne.
Het was nog maar zelden voorgevallen dat een dergelijk turbulente kwestie voorgelegd werd aan de Parijse universiteit. De deliberatie zou ook heel wat tijd in beslag nemen. Uiteindelijk – op 16 januari 1531 – proclameerde de deken van de gewijde faculteit van theologie plechtstatig de beslissing van zijn algemene vergadering. Het formaat van de provisie voor de arme lieden leek hen hardnekkige discussiepunten op te leveren maar was hoe dan ook evenwichtig.
Het Ieperse reglement was volgens Parijs niet strijdig met de hedendaagse evangelische en apostolische brieven, noch met die van onze voorvaderen. Hoewel hier en daar wat reserves uitgesproken werden tegenover het reglement, bleven de algemene principes ervan toch wel overeind. Onze magistraten kregen dus het gelijk aan hun kant. Het voorlopig reglement van 1525 werd op enkele minieme punten aangepast en bleef dus van toepassing nadat het gepubliceerd werd op zowat hetzelfde tijdstip als de beslissing van de Sorbonne.
Het was deze plechtige bekendmaking die voorgesteld was in de grote compositie van kunstschilder Swerts. Jean, de kardinaal van Lotharingen en aartsbisschop van Narbonne, bisschop van Morinië en kardinaal Campegius, de legaat van de paus keurden het document eveneens goed en bevestigden het reglement van de stedelijke beurs en de beslissing van de Sorbonne. Dat gebeurde tussen januari 1531 en 1534. Daar werd nog een bevestiging van keizer Karel d.d. 7 mei en later een van oktober 1531 aan toegevoegd. De keizer beval het reglement als een verplichting voor het hele land, op risico van correctie bij het niet naleven ervan.
Zijn wet verscheen te Brussel. Onze keizerlijke majesteit verplichtte de stadsbesturen van de Nederlanden om een regeling van de openbare weldadigheid te organiseren conform het reglement dat in 1525 opgesteld was door de Ieperse magistraten. De grote steden haastten zich om die wet in te voeren. Rijsel, Brussel, Gent en later ook Brugge in de Nederlanden, maar ook Lyon, Parijs en veel andere steden in Frankrijk stichtten op hun beurt algemene aalmoezenfondsen.
Rome en de keizer hadden gesproken. Het Ieperse reglement van de stedelijke beurs was gestemd en definitief goedgekeurd. Niemand kon deze wetgeving nog verder ongestraft aanvallen. Een broeder van de carmers – Jean Royaert – zou in 1533 een geschrift verspreiden in een poging om de armenwet van Ieper te laten schrappen, maar hij zou er vervolgens toe gedwongen worden om zijn woorden in te slikken en een grote boete te betalen. Vanaf dan zou het afgelopen zijn met fanatieke preken tegen de hervorming.
Het zou pas later zijn dat de Ieperse reglementen en de doctrines van Vivès het onderwerp van nieuwe aanvallen zouden worden door enkele fanatieke egoïsten en voorstanders van de oude regeling. Het was dus aan het intelligent en menswaardig initiatief, aan de energieke vasthoudendheid van de Ieperse magistraten, aangevallen door de bedelorden maar ondersteund door de lokale clerus dat we een van de belangrijkste hervormingen van de 16e eeuw mochten toeschrijven.
Daarbij werd de openbare weldadigheid gecentraliseerd zonder daarbij de kerkelijke wetten aan te tasten, de valide mannen verplichtte om hun dagelijks brood te verdienen en het openbaar onderwijs promootte. De regeling maakte een einde aan de bedelstaf en aan de grofste misbruiken van de weldadigheid. Weldra zou de nieuwe wet een grote invloed uitoefenen op de morele en materiële toestand van de lagere bevolkingsklassen van de maatschappij.
Het schilderij van Swerts toonde het allemaal; het podium was voorzien van rijke tapijten, witte draperie geborduurd met de stadsemblemen. Op het voorplan stond Colard de Wulf, de geleerde en energieke raadslid-pensionnaris die altijd op de eerste rij van de hervorming stond. Naast hem zagen we voogd Philippe Van Houtte en wat verder de leermeester van de weeskinderen en het hoofd van het college van gouverneurs van de stedelijke beurs.
Een dokter van de Sorbonne en de proost van Sint-Maartens, groot-vicaris van het bisdom van Terwaan hadden plaatsgenomen aan de linkerzijde van de vertegenwoordigers van de stad. Achter hen kon men de schepenen, raadsleden, officieren van de stad en de dismeesters bemerken. Deze figuren waren allen gekleed in rijke en pittoreske kostuums. Op de trappen, aan weerszijden van het podium stonden twee trompetters van de stad met hun pruiken op.
Ze kondigden de publicatie van de verordening af met trompetgeschal en gebruikten daarvoor de grote trompetten die aan de schepenen geleverd werden door de Brugse zilversmid Jan Utenhoudenhove. Deze zilveren trompetten waren deels verguld en bekleed met een witte stof die voorzien was van de wapens van de stad. De ‘bezanters en scherwetters’ hielden met de helm in de hand en gewapend met hun hellebaard het gemeen in bedwang dat zich tot tegen het podium perste. Een immense menigte luisterde geluidloos en aandachtig naar de publicatie van het goede nieuws.
Met daarbij de jonge vrouwen die de aan hen toevertrouwde weeskinderen tegen de borst drukten en andere weeskinderen die terecht konden in het weeshuis op kosten van de stedelijke beurs. Men kon ook enkele bedelaars zien met een opschrift in hun handen. En enkele broeders van de bedelorden die een vergeefse poging deden om hun ontevredenheid en hun rancune te verstoppen. Wat verderop in de massa herkenden we de poorters aan hun kostuums, lakenwevers en lieden van het gemeen.
Gewapende gilden en de nijverheidsambachten stonden in groepjes op de Grote Markt, voor het bezant. Hun gezellen stonden onder hun banieren, helemaal niet dreigend en gerevolteerd zoals in 1477, maar kalm, zelfverzekerd en tevreden. De vlaggen van de gilden van Sint-Joris, onze nobele ridder Sint-Sebastiaan en van Sinte-Barbara wapperden in de wind. In de achtergrond vergezeld van de banieren van de wevers, volders, scheerders en de minder belangrijke ambachten. Al hun vlaggen, banieren en standaarden waren ontvouwd en lieten hun schitterende en glinsterende stoffen schijnen in de zon.
Deze stoffen die voorzien waren van goud, zilver, karmijnrood, azuur. De publicatie van de verordening was een gelukkige gebeurtenis, een publiek feest. Heel Ieper juichte. De compositie van Swerts was het tonen waard. Aan de achterkant van de tribune was de ‘Viese Halle’ te zien met zijn regelmatige ramen, zijn torentje en zijn kantelen van gotische stijl die de achtergrond van de compositie vormen. In perspectief zag men de verheven contouren van de ‘steenen’ die opgetrokken waren aan de noordkant van de Grote Markt, het nieuwe huis van de kasselrij – vroeger omschreven als ‘de Wulf’ – met zijn driehoekige frontons die de naastliggende gebouwen domineerden.
Verderweg zag men de grote herberg ‘Het koninklijk Zwaard’ met zijn embleem, meer bepaald de afbeelding van een reuzenhoofd met in zijn muil een krachtige arm waarvan de hand voorzien was van een handschoen. Talrijke emblemen stonden geschilderd op zijn houten voorgevel. Ze gaven aan dat het hier was dat de grote heren, de graven van Vlaanderen, de hertogen van Bourgondië, de koningen en keizer Karel gelogeerd hadden tijdens hun blijde intrede.
Naast die oude en beroemde herberg, bij de ingang van de Lange Torhoutstraat die toen een van de belangrijkste straten van de stad was, herkende met een rechtopstaande engel op een uithangbord. De grote taverne van die naam die zo vaak vernoemd was bij de blijde inkomsten van onze graven van Vlaanderen. De kapel met erboven een klok en de gebouwen die er rond stonden op het uiteinde van de Grote Markt, tussen deze Torhoutpoort en de Hangewaertstraat (nu de Menenstraat) vormden in totaliteit de gebouwen van het oude Onze-Lieve-Vrouwhospitaal.
En dan aan het zuidelijk uiteinde van de Grote Markt stond het huis van de bezant, in 1449 heropgebouwd, versierd en geschilderd door Ryke Broederlam met een sombere rij houten huizen die uitkeken op de Grote Markt en waarvan hun verdiepingen de ene op de andere overhelden. Samen vormden ze het historisch en pittoresk kader van dit indrukwekkend schilderij dat vervaardigd was door Swerts.
Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper


