Het was al enkele dagen bijzonder moeilijk en zelfs onmogelijk om aan brood te geraken en deze schaarste verhoogde nog de irritatie van de werklieden. De heer van Diksmuide had het in die toestand dan ook niet aangedurfd om de bewaking van de stadsvestingen over te laten aan de ambachtslieden, laat staan de sleutels van de stadspoorten aan hen toe te vertrouwen. Hij had die opdracht dan maar toevertrouwd aan de landelijke milities die nog maar recent gearriveerd waren in Ieper toen de Gentenaars zich op zaterdag 17 september 1379, kort na de middag aanmeldden in de omgeving van Ieper.
De uitkijkposten op het belfort signaleerden de aankomst van de vijand waarop de ridders en de wapenlieden zich haastig verzamelden op de Grote Markt en zich in gevechtsorde opstelden. In hun rangen zagen we meerdere notabele burgers die trouw gebleven waren aan Lodewijk van Male. Volgens Olivier van Diksmuide was het een groot en schoon gezelschap.
Dit elitekorps had als opdracht om overal naartoe te gaan waar de noodzaak zich voordeed om de landelijke milities te ondersteunen om de vestingen en de stadspoorten te verdedigen. Rond de middag weerklonken al snel alarmkreten. De uitkijkposten op het belfort schreeuwden ‘Vijand! Vijand’ en de grote klok liet zich horen. De heer van Diksmuide plaatste zich onmiddellijk onder de banier van de graaf en haastte zich met een forse groep ridders en wapenlieden in slagorde naar het zuiden van de stad. Maar toen ze ter plaatse kwamen, was het al te laat.
De Gentse banier wapperde al aan de binnenzijde van Ieper. Wat was er gebeurd? De voorpost van de Gentenaars was aan de Komenpoort toegekomen en zonder dat er ook al een slag uitgedeeld was, had een krachtige knaap, genaamd Stuvinck met een zware smishamer het poortblad aan stukken geslagen en dan was hij samen met zijn kompanen aan de binnenzijde van de poort gaan staan, in afwachting van het groot Gents leger dat er nu snel aankwam.
Deze sabotagedaad had zich gemakkelijk kunnen voordoen omdat de landelijke milities feitelijk pro Gents waren en hun werk hier in Ieper tegen hun zin moesten uitvoeren. Ze hadden zich daarom niet verzet tegen de intrede van de Gentenaars. Toen de wapenlieden en de ridders van de graaf naar de Komenpoort stormden, werden ze bedolven onder een regen aan pijlen en zagen ze zich genoodzaakt om zich terug te trekken. Vier of vijf van hun mannen waren dan al gedood en talrijke wapenlieden gewond. Van zodra het Gentse leger zijn intrede gedaan had in de stad, zette het pas naar de Grote Markt. Bij het zien van die talrijke en luidruchtige indringers die dan nog eens toegejuicht werden door het gemeen stoven de notabelen, wapenlieden en ridders die er nog opgesteld stonden nu uiteen en sloegen ze op de vlucht. Ze werden actief achterna gezet en enkele van hen werden om het leven gebracht of gewond door de Gentenaars.
Anderen werden aangehouden. Ze maakten zich meester van hun paarden, men plunderde hun bagage. De Witte Kaproenen veroverden een rijke buit. De volgende ochtend zag men opnieuw lieden van de heer van Diksmuide die er niet in geslaagd waren om te vluchten. Wie ze bij de lurven konden grijpen, werd gedood. Dit verslag van de verovering ofwel de verrassing van Ieper in 1379 werd ons verteld door geschiedschrijver Olivier van Diksmuide. Wat hij schreef was niet helemaal conform de verslagen van andere analisten. Volgens Froissart grepen de mannen van het gemeen en de ambachten de wapens de wapens toen ze de komst van de Gentenaars vernamen. Ze stelden zich met minstens vijfduizend op aan de Grote Markt. De rijken en notabelen die toch niets meer te zeggen hadden, begaven zich samen met de ridders van de graaf ordentelijk naar de Torhoutpoort waar de Gentenaars net toegekomen waren en eisten dat ze hen zouden binnenlaten.
Deze ridders hadden zich in slagorde voor deze poort geplaatst en toonden zich bereid om Ieper met hand en tand te verdedigen tegen die van Gent. En die laatsten zouden niet binnen geraakt zijn zonder eerst zware verliezen te lijden. Maar de ambachtslieden op de Grote Markt liepen er naartoe en eisten dat ze de poorten zouden openen voor hun goede vrienden en buren van Gent. Ze eisten dat de Gentenaars de stad zouden betreden. De ridders antwoordden dat ze geen opdrachten te aanvaarden hadden van hen en alleen maar van de graaf.
En dat hij hen gevraagd de stad te verdedigen. Ze voegden er aan toe dat de Gentenaars toch niet sterk genoeg waren om zich een toegang tot Ieper te verschaffen, tenzij door verraad. En dan moest er volgens Froissart grote ruzie ontstaan zijn tussen de ridders en de Ieperse ambachtslieden met het gemeen. Tot er uiteindelijk door de Ieperlingen geroepen werd ‘Ter dood, jullie zullen nooit heer en meester van onze stad zijn!’.
De arbeiders vielen nu de minst sterke ridders op de hals die ook werden teruggedrongen. De heer van Roubaix, de twee heren Hovars van de Hovarderie en twee andere edellieden werden tegen de grond gestoten. De heer van Antoing en andere ridders mochten hun leven danken dankzij de tussenkomst van enkele rijke burgers en notabelen. Uiteindelijk openden de ambachtslieden de Torhoutpoort waarop de Gentenaars de stad binnenkwamen en er zich meteen heer en meester van maakten. Het was nu natuurlijk zeer de vraag welke van de twee versies de juiste was.
De bezetting van Ieper verzekerde de triomf van de Vlaamse zaak. Niet alleen in deze belangrijke stad maar ook in het Westland waarvan ze de wapenplaats was. De Witte Kaproenen en hen kompanen hadden hun intrede gedaan in Ieper, onder het groot gejuich van de stedelingen. En nadat ze zich misdragen hadden op de wapenlieden van de heer van Diksmuide en die uitgeperst hadden, behandelden ze de Ieperlingen niet als overwonnenen maar als broeders. Vanuit de veroverde stad volgde geen enkele wanklank.
De vlag van de onafhankelijkheid hing nu te wapperen boven de derde goede stad van Vlaams Vlaanderen. Maar het was wel nog van belang om ook de bevolking van het Westland te overtuigen om zich achter deze vlag te scharen. Vanaf de volgende morgen organiseerde men te Ieper een groot vaderlandslievend feest. De inwoners van de buursteden en de dorpen van West-Vlaanderen werden uitgenodigd om er aan deel te nemen. Blij als de mensen waren om het juk van de leliaards afgeworpen te hebben, haastten ze zich om positief te antwoorden op deze uitnodiging.
Dat feest van de broederschap verliep schitterend. Op de vastgelegde dag van het feest lieten al deze steden en dorpen zich vertegenwoordigen door hun afgevaardigden, in het gezelschap van een ontelbaar aantal burgers en werklieden. Overal wapperden Vlaamse vlaggen, die van Gent en van Ieper. Een enthousiaste menigte overspoelde de straten van Ieper, bij de triomfklok en de klokken van het uitgedoste belfort, vierde feest omwille van de algemene opluchting van de bevolking die zo lang verdrukt was geweest, in het vooruitzicht van een nieuwe periode van vrijheid en onafhankelijkheid.
En dan, recht voor het Gentse leger dat in slagorde opgesteld stond op de Grote Markt voor de lakenhalle, zwoeren de afgevaardigden van Ieper, van de kleinere steden en de dorpen eensgezind trouw aan de unie van de bevolking van het Westland en de alliantie van de Vlaamse woonplaatsen.
Vanuit de menigte steeg de enthousiaste kreet op ‘Vlaendre ende leeuwe, ons vryhede behoudende’, Vlaanderen de Leeuw, zorg dat we onze vrijheden behouden. Deze spontane actie toonde het doel van de volksbeweging aan en ademde de algemene verzuchtingen uit van de inwoners van het Westland. Volgens Olivier van Diksmuide zouden enkele rebellen tijdens de festiviteiten zich uitgeleefd hebben aan betreurenswaardige excessen.
Ze zouden de woning van de Ieperse burggraaf Jean van Oultre geplunderd hebben en zelfs geprobeerd hebben om het grafelijk kasteel te verwoesten. Maar de goede lieden zouden de slechteriken verdreven hebben van het Zaalhof en gemakkelijk de orde hersteld hebben.
Olivier Van Diksmuide was wel de enige kroniekschrijver die melding maakte van deze wanordelijkheden. De Gentenaars bezetten Ieper-stad tot 23 september. Tijdens hun verblijf regelde men het bestuur van de stad. Van deze installatie bleven geen schriftelijke documenten bewaard. Chroniqueur Olivier Van Diksmuide beperkte zich tot de melding dat men nieuwe dekens en voormannen verkoos en dat Jacob Van der Berst de leiding van deze vernieuwing voor zijn rekening nam. Hij was een man uit de arbeidersklasse, stoutmoedig en energiek en zou zich ontpoppen tot de aanvoerder van de Ieperse klauwaards.
Van der Berst zou gedurende enkele jaren een belangrijke en zelfs dominante rol spelen in onze stad. Het bleef de vraag of het schependom vernieuwd werd in augustus 1379, of later? Hoe zou deze vernieuwing verlopen zijn? Door een commissaris van de graaf of door de wijze mannen van de burgerij? Volgens onze kroniekschrijvers gebeurde dat pas op 21 december 1379, althans volgend een handschrift van Josse Bryde die vermoedelijk wel betrouwbaarder was dan de andere kroniekschrijvers. Vanaf die dag was de stad van Ieper in elk geval compleet in de handen van de klauwaards gevallen.


