Het jaar 1199. Vooraleer op kruistocht te vertrekken had Dirk van de Elzas beslist alle notabelen van het land in vergadering samen te roepen met als opzet de vrede van het graafschap te laten herbevestigen om zich tijdens zijn afwezigheid te kunnen verzekeren van de kalmte en rust in zijn land. Het was nog maar eens in Ieper dat die plechtige grote algemene vergadering plaatsvond op 19 februari 1138. Onder de regeringen van Dirk en zijn opvolger Filip van de Elzas genoten Ieper en zijn omgeving van de weldoende effecten van die langdurige vrede. Tijdens deze periode van 63 jaar – tussen 1128 en 1191 – werd de naam van onze stad amper vernoemd in de kronieken. Want de geschiedschrijvers van die dagen hielden zich veel minder bezig met de geschiedenis van Vlaanderen dan met de prestaties en heldendaden van onze kruisvaarders in het heilig land.
Maar de naam van Ieper verscheen meer dan eens in charters, keuren en andere authentieke documenten. Het was in die dagen dat de – dan al gepriviligeerde – arbeiders van de burgus van Ipra hun eerste geschreven wetten kregen. Hun nog primitieve instellingen zouden nu snel tot ontwikkeling komen. Ieper, de stad waar deze belangrijke staatsvergaderingen plaatsvonden, moest in de 12e eeuw noodzakelijkerwijs een van de grootste steden van Vlaanderen zijn. Voor de rest kon men het belang van Ieper concluderen aan de uitbreiding van zijn territorium en de bouw van de vele kerken. Initiatieven die tot stand kwamen door de stichtingen van religieuze instellingen en gasthuizen en natuurlijk veroorzaakt door de snelle ontwikkeling van de bevolking.
De bewoning, de burgus die zich vanaf de 10e eeuw ontwikkeld had in de prairie van de Iepere, onder de muren van een feodale burcht, was geleidelijk aan gegroeid. De situatieschets van de kerken van Sint-Maartens en Sint-Pieters die beiden omringd waren door woningen toonde de oppervlakte van de stad voor het einde van de 11e eeuw. Die gaf aan dat de oorspronkelijke burgus zich aanvankelijk ontwikkeld had vanuit het noorden richting zuiden van de rechteroever van de rivier. Vervolgens breidde de stad zich uit naar het oosten. Het was toen dat men – nog voor 1139 – begon aan de constructie van een derde parochiekerk, opgedragen aan Sint-Jacob. Dan werden er nieuwe straten geopend in westelijke richting, op de linkeroever van de Iepere.
Rond het einde van de 12e eeuw – nog voor de jaren 1200 – bouwde men er ook een kapel die op 5 januari 1233 zou uitgebreid worden tot een nieuwe parochiekerk, onder de bescherming van de sinten Nikolaas, Elooi en Egidius. Het was dus pas in laatste instantie dat Ieper zich uitbreidde in de richting van het westen. De burg had zich dan al sinds lange tijd verder ontwikkeld in noordelijke richting. De gronden gelegen ten noorden van de kerk en de abdij van Sint-Maartens waren bezaaid met huisjes en vormden het kwartier dat bekend stond als ‘Castrata’. De arbeiders die er woonden en die van een andere kwartier, genaamd ‘Carnificium’ en vermoedelijk ten westen van de kerk, waren vanaf 1111 onder de jurisdictie van de kanunniken geplaatst. Deze lenen zouden in 1231 aangeduid staan onder de naam van het ‘Graafschap van Sint-Maartens-binnen’.
De parochies van Sint-Maartens, Sint-Pieters, Sint-Jacobs en Sint-Niklaas bezetten dan – zoals dat in onze hedendaagse tijd nog altijd het geval zou zijn – de kern van onze stad. Zijn uitgestrektheid was in de 12e eeuw voor wat betrof de intra muros min of meer dezelfde als in latere tijden. Dit territorium was weldra ontoereikend om aan de talrijke Ieperse arbeiders nog een plaats te voorzien waar ze hun huizen konden bouwen. Het was dan ook logisch dat er zich rond de stedelijke agglomeratie stilaan buitensteden vormden. Als we onze kroniekschrijvers mochten geloven, hadden de wevers en de volders al vanaf 1111 verblijven opgericht extra muros. In elk geval was de stad nog voor 1171 helemaal omringd door buitenwijken.
Dit is een fragment uit Boek 0000-1289 van De Grote Kroniek van Ieper


