banner
apr 27, 2026
152 Views
Reacties uitgeschakeld voor Alarmklokken boven het belfort

Alarmklokken boven het belfort

Written by
banner

Begin juni 1383. Al het verdedigingswerk van de Ieperlingen was maar precies op tijd klaar. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuur! De Engelsen hadden zich van verscheidene West-Vlaamse steden meester gemaakt en rukten nu op naar Ieper. De bewoners van de voorgeborchten kregen het bevel om zich met al hun bezittingen binnen de beveiligde stadswallen te begeven.

Het was de enige manier om aan de plunderingen en de dood te ontsnappen. Er werd trouwens meer gevraagd aan het gemeen van de buitenparochies. De magistraten gelastten hen om de deuren en vensterblinden van de huizen af te haken en samen met alles wat hout was, tafels, balken en planken mee te brengen binnen de stad. Met al dat materiaal zou op de vestingen nog een aanvullende barricade worden opgeworpen.

In de volksmond werd die barricade trouwens omschreven als een ‘thuyn’. De barricades moesten het mogelijk maken dat de – sinds 1302 erg vermaarde – lokale boogschutters er hun pijlen konden afschieten zonder door die van de vijand geraakt te worden.

De hekkens die de toegang tot de stad regelden, werden voor alle zekerheid nog eens vernieuwd. De inwoners verwachtten dat ze wel eens lang zouden kunnen belegerd worden en wilden te allen prijze voorkomen om zonder voedsel te vallen. Ze voorzagen zich rijkelijk van proviand en levensmiddelen die hun in staat moest stellen om het gedurende vier maanden uit te houden zonder één enkele levenslijn met de buitenwereld.

De magistraten hadden het bevel uitgevaardigd dat het voor de handelaars strikt verboden was om tijdens deze periode van noodtoestand de prijzen van de eetwaren te verhogen. Al wat zich in de buitenwijken bevond, werd als verloren beschouwd. Binnen de stad werden drie rosmolens gebouwd die zoals de naam het liet vermoeden, in gang worden gehouden door paarden.

De nieuwe rosmolens kwamen in de plaats van de exemplaren die er stonden in de buitengebieden. Ze waren er op gericht om de taak van de watermolens over te nemen in het geval de vijand moedwillig het waterpeil van de Ieperlee zou verlagen.

De voorzorgsmaatregelen waren eindelijk afgewerkt. Het Ieperse magistraat inspecteerde het geheel nog een laatste keer en wilde zich veiligheidshalve nog eens vergewissen hoe het stond met de moraal en de paraatheid van de stadbewoners. Ze lieten twee van de klokken aan het belfort luiden als teken van alarm. Het was voor ieder verzamelen geblazen. Op naar de Grote Markt.

De krijgslieden en alle burgers snelden toe. In tijden van oorlog werd geen onderscheid gemaakt in ouderdom of stand. De burgers wisten wie hun militaire oversten waren en voelden zich bereid om zich voor het volle pond aan hen te geven om zo de verdediging van de stad en van hun eigen wel en wee te garanderen. Vanuit het balkon van de halle sprak de voogd de mensen toe en hij stelde onomwonden voor om de doodspraak op te leggen aan allen die niet aan hun verplichtingen tegenover de stad Ieper zouden voldoen.

De inwoners reageerden enthousiast en met toejuichingen. Met zijn allen zwoeren ze trouw aan de graaf en verklaarden ze liever te willen sterven dan te verzaken aan hun eigen plichten. Op veel hulp moesten de Ieperlingen niet rekenen! Het Franse garnizoen en de andere ridders die Karel VI van Valois onder het bevel van de heer van Saimpy had achtergelaten in Ieper, zagen de nakende belegering van de Engelsen absoluut niet zitten.

In plaats van te helpen in de verdediging van de stad, kozen ze er voor om de wijk te nemen naar het veilige Rijsel. Het was nota bene Saimpy zelf die het initiatief nam voor de algemene desertie. Volgens de kroniekschrijvers bleef er één Franse ridder paraat. Het ging om een zekere Renaud Dauphin die, samen zijn persoonlijke schildknaap, het wel en wee zou blijven delen met de Ieperse poorters.

Graaf Lodewijk van Male stelde zijn vertrouwelingen aan om de leiding van de verdediging van de belegerde stad op zich te nemen. Het waren stuk voor stuk mannen die de graaf trouw en toegenegen waren en in wie hij een grenzeloos vertrouwen stelde. Een goede leiding was van het grootste belang en er moest goed op gelet worden dat de goede moraal en de gretigheid van de Ieperlingen niet aangetast werd door het toch wel vervelende vertrek van het Franse garnizoen.

Jean van Oultre, de heer van Weldene, was op dat moment de burggraaf van de stad en opperbevelhebber van de strijdkrachten. Hij deelde dit bevel met zijn zoon Baudouin, de heer van Elverdinge, maar verder ook met verschillende heren die hij verkoos onder de Ieperlingen. Maar er waren ook afgevaardigden bij van graaf Lodewijk en van de hertog van Bourgondië.

Het waren ridder Pieter Van der Zype, de heren van Izegem, Harelbeke, Rollegem, Staden en van Moorslede, Jan Blanckaert, Jan Hauwel, Nicolaas Francis en George Belle. Jan Van der Zype, de neef van Pieter Van der Zype en verscheidene andere adellijke heren vervolledigen het leidinggevende team.

Ze hadden allemaal de opdracht om te waken over de gemoedsgesteltenis bij de bevolking en ervoor te zorgen dat er geen onlusten uitbraken. De mankracht waarover Ieper kon beschikken, kon onmogelijk luxueus genoemd worden, maar zou op zich wel voldoende moeten zijn. De bevolking bestond op dat tijdstip vermoedelijk uit meer dan 80.000 inwoners.

Als we er van uitgingen dat 1/5e van hen in staat was om de wapens op te nemen, dan bekwamen we een getal van 15.000 strijders. Die werden toegewezen volgens een goed afgelijnd plan. De stad was onderverdeeld in zestien secties of kwartieren. Elk kwartier stond onder het gezag van een kapitein. Hij had de taak om iedereen die tot zijn militie behoorde of die in zijn sectie woonde in geval van nood op te roepen en te commanderen.

Dankzij geschiedschrijver Adriaen van Schrieck (1560-1621) wisten we nog de namen van de respectieve kapiteins. Het waren Marcel Florisoone, Florentin Cornette, Baudouin Camerlinck, Michel van Wynckel, Eloi la Rivière, Pierre Schoonaert, Jean Vandenbossche, Lambert Moerman, Jacob Volbout, Andries Paelding, Jean Van Beselare, Olivier Lap en Allard Beaugrand. Verder zagen we ook Victor Dubois, Joseph Vancostenoble en een zekere Wauthier van wie de familienaam onbekend bleef.

Bij deze strijdkrachten dienden natuurlijk ook de gilden te worden toegevoegd. De handboogschutters van Sint-Sebastiaan, de zwaardvechters van Sint-Joris, de busschutters van de heilige Barbara, de kruisboogschutters van Sint-Michiel waren op dat moment in de tijd door de overheden en door de magistraten officieel erkende organisaties.

De gilden waren niet militair van aard maar toch werd van hen verwacht dat ze bij elke omstandigheid in staat moesten zijn om de stad te verdedigen. Elke gilde werd geleid door een hoofdman, of indien deze afwezig was door één of andere hoogwaardigheidsbekleder van het broederschap. Naast de 15.000 burgers beschikte de stad trouwens nog over verdere verdedigers.

Het waren niet alleen de bewoners van de buitengemeenten die binnen de vestingmuren van de stad hun schuiloord gevonden hadden maar de Ieperlingen beschikten ook nog over een bezoldigd ruiterregiment onder de leiding van de heer van Falkenbourg (of Faucquemont). Later zou blijken dat dit regiment een vrij onbeduidende rol zou spelen tijdens het beleg. We zagen hen nergens uitblinken.

Er was geen sprake van opzienbarende wapenfeiten. We vonden ze enkel terug onder de rubriek ‘uitgaven’ aan dappere strijders, in de stadsrekeningen van die tijd. En zo was de toestand binnen de stad Ieper in juni 1383 op het moment dat de Engelsen volop aan de gang waren met het plunderen van het nabijgelegen Poperinge.

Dit is een fragment uit Boek 1381-1528 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1381-1528
banner