Bij het begin van de 13e eeuw waren de grote burgers ook al miskend geweest. Ze hadden zich daarover beklaagd en hadden zonder strijd hun politieke gelijkwaardigheid verworven. Rond 1270 begonnen de arbeiders die zich lieten vertegenwoordigen in hun ambachtsgilden zich te keren tegen deze ‘verbanning’ van de wet. Ze brachten aanvankelijk nederig hun verzuchtingen naar boven bij de heren van de wet.
Maar toen de ambachtslieden op hun beurt ook al dezelfde rechten van de groten opeisten en op zijn minst het recht om gehoord te worden in de raad, werden hun legitieme verzoeken telkens hooghartig en met de nodige dedain verworpen. Dit onverklaarbaar verzet irriteerde de arbeiders natuurlijk. Na hun vredelievende klachten volgde gefluister en geroddel. Populaire onrustzoekers hitsten de gemoederen op.
De nieuwe oligarchie die de stad domineerde, weigerde verder om op hun verzoeken in te gaan. Hun tegenstand bleef onwrikbaar en zijn hautaine houding groeide met de dag. En hoewel de sociale en zelfs politieke toestand van de gemeenschap helemaal veranderd was, bleven de schepenen de inwoners van Ieper als hun lijfeigenen beschouwen, hun eigen vazallen die ze behandelden als kneedbare slaven waarover ze vrij konden beschikken. Maar in realiteit was het patrimonium van de behoeftigen aangegroeid, dat van de beschaamde arme mensen.
De weldadigheidsinstellingen – zo bijvoorbeeld het hospitaal op de Grote Markt – werden op een slimme manier bestuurd. En telkens de notabele burgers getuigden over hun bezorgdheid voor de werklieden, ongelukkigen of zieken, kwamen de poorters en de handelaars die zetelden in de raad af met keuren die het werk regelden. Dan was dat bijna altijd om hun eigen profijten te halen uit het labeurwerk van de werkersknechten.
Zo speelden de baas over deze knechten en werklieden, op een manier zoals de territoriale heren vroeger hun veestapels en hun slaven behandelden. De feodaliteit liet dus nog altijd zijn autocratische tendensen voelen in onze stad. Die stand van zaken zorgde voor een dagelijkse aangroei van irritatie bij de lagere klassen. Na een tijdje was de malaise algemeen, volksagitatie leek onvermijdelijk.
Margareta van Constantinopel die al te oud was om nog alleen te besturen over het graafschap had al voor 1270 haar zoon Gwijde van Dampierre betrokken bij de leiding van Vlaanderen. Deze prins kreeg al vrij snel al het gewicht op zijn schouders. Wijzer en vooral meer vooruitziend dan de heren van de wet probeerde hij alsnog het onweer te bezweren door het toestaan van nieuwe privileges ten voordele van de stad en van de Ieperse burgers.
De gronden die in eigendom waren van de Ieperlingen werden vrijgesteld van het betalen van tienden (1274). De gravin en haar zoon kenden hen in 1275 het privilege toe van altijd vrijgesteld te zijn van alle tolgelden in Nieuwpoort, een aanzienlijk voordeel dat vooral nuttig was voor onze talrijke lakenwevers die nu vlotter en goedkoper hun wol konden inkopen vanuit Engeland. De prins vernieuwde en breidde in 1276 ook al het privilege uit waardoor de Ieperlingen – net zoals de edelen – wapens mochten dragen bij hun reizen doorheen Vlaanderen.
Nog meer privileges werden toegekend, te veel om op te noemen, maar toch was er een die het vermelden waard was en getuigde van de welwillendheid van de prins voor de Ieperlingen en waarbij hij het had over het machtsmisbruik van de Ieperse oligarchie. Dit document bewees dat de gravenzoon inspanningen leverde om er paal en perk aan te stellen. Ongetwijfeld omdat hij de onrust van de arbeidersklasse die het slachtoffer was van dat misbruik wilde kalmeren.
Het document in kwestie stond een belangrijk privilege toe dat het waard was om geanalyseerd te worden. Met deze keure die op 22 oktober 1277 verstrekt werd te Ieper, bevrijdde Gwijde van Dampierre onze burgers en specifiek de ambachtslieden. Deze burgers konden vanaf dat moment onder geen enkel voorwendsel tot voor de feodale rechtbank van de kasselrij gedaagd worden.
De graaf besliste eveneens dat, noch hijzelf noch iemand anders in zijn naam goederen van de Ieperlingen mochten confisqueren zonder voorafgaand vonnis van de Ieperse schepenen. De eigendommen die al onrechtmatig aangeslagen waren, zouden weer teruggegeven worden aan hun respectieve eigenaars. Op die manier konden de Ieperlingen alleen nog maar berecht worden door de ‘waarheid van de schepenen’.
De schepenzetels in de vierschaar waren natuurlijk allemaal ingenomen door de vertegenwoordigers van de machtige families die maar al te vaak hun almacht misbruikten. Maar deze stadsschepenen konden niet zomaar wetteloos hun oordeel vellen over hun medeburgers zoals dat het geval was met de feodale schepenen dat deden met de landarbeiders. In Ieper waren ze gehouden om vonnissen te vellen conform de voorschriften in de stedelijke keuren die opgesteld waren door de vertegenwoordigers van de gemeenschap.
Op die manier beperkten ze de rechten van de ‘jugeurs’ en vrijwaarden ze de belangen van de burgers. Gwijde van Dampierre verzekerde zo de veiligheid van personen en hun eigendommen buiten de stad. Maar deze veiligheid kon nog altijd met voeten getreden worden aan de binnenkant van de stadsmuren.
We hadden redenen om aan te nemen dat er voordien zeker sprake van onregelmatige en arbitraire arrestaties moest geweest zijn. Want waarom zou de graaf nu plots opgetreden hebben tegen het machtsmisbruik van de groten? Om die willekeurige aanhoudingen onmogelijk te maken, besliste Gwijde van Dampierre dat een Ieperse burger in de toekomst alleen nog maar kon gearresteerd worden door de kastelein of door zijn baljuw of zijn onderbaljuw. Dat kon ook door hun sergeanten maar enkel en alleen als deze officieren er bij aanwezig waren.
Van nu af aan betekende dat voor de Ieperlingen dat het afgelopen was met preventieve aanhoudingen, met willekeurige arrestaties, feodale rechters. Niet langer aangeslagen eigendommen in de stad en daarbij nog eens de zekerheid dat de officieren van de graaf door hem persoonlijk ter verantwoording konden worden geroepen. Het was niet nodig om de nadruk te leggen op het belang van die ‘bevrijding’ en van de grafelijke waarborgen die aan het volk verleend werden in een tijd waarin de willekeur en geweld primeerden boven gelijkheid en recht.
Door het toestaan van deze privileges probeerde Gwijde van Dampierre het despotisme van de Ieperse oligarchie een halt toe te roepen, een autoritaire macht die tot dan de hoofdrol speelde in de stad. De prins wilde niet enkel het lokaal geweld afstoppen en verijdelen maar hij probeerde ook zijn betrokkenheid te tonen met de zaak van de kleine burgers, de arbeiders en de andere arbeiders van onze machtige stad.
De politieke situatie noodzaakte de graaf natuurlijk om deze toegevingen te doen. Zowel in het binnenland als het buitenland begonnen de spanningen op te lopen. Te Ieper had het ontstaan van nieuwe sociale klassen gezorgd voor een steeds maar aanzwellende druk van de arbeiders. Hun dwingende eisen noodzaakten een aanpassing van het stedelijk bestuur dat tot dan nog altijd totaal aristocratisch gestoeld was.
Het eigenwijs verzet van de leidende klassen die hardnekkig probeerden om hun privileges te verdedigen, lieten alle hoop varen dat deze hervormingen ooit maar op een vreedzame manier zouden kunnen afgedwongen worden, zoals dat vroeger was geweest. Alles liet daarentegen voorspellen dat er weldra onweer zou uitbreken in Ieper-stad.
Moest men dan geen poging wagen om die onrust tot bedaren te brengen? Van een andere kant stapelden donkere wolken zich op aan de overzijde van de Leie. De lustige ambities van de koning van Frankrijk bedreigden Vlaanderen. De graaf begreep maar al te goed dat hij met die dreigende storm niet zonder de steun van de massa van de werkende klasse kon om zijn graafschap en zijn kroon te behouden.
Hij probeerde dus telkenmale aan hun kant te staan. Onze stad Ieper bezorgde hem meerdere keren royale financiële bijdragen om zijn kas aan te vullen en zijn riddermilities te betalen. De Ieperlingen waren toegenegen en trouw aan hun graaf en waren bereid hun bloed te storten tegen elke indringer die de nationale zaak van Vlaanderen en de rechten van hun heer wilde beschadigen.
Maar de talrijke grafelijke keuren die aan de arbeiders bevrijding en privileges bezorgden, vormden al met al een te zwakke dijk om de rijzende volksvloed af te stoppen. De prins slaagde er maar niet in om de onrust te bedwingen of de volksbeweging te Ieper in goede banen te leiden. De toewijding van onze ambachtslieden aan hun heer en de bedreigingen uit het buitenland oefenden een zekere invloed uit op onze vaderlandslievende bevolking die aan het begin stond van een democratische revolutie, maar nu toch even wenste af te wachten en geduld te oefenen.
Deze periode van afwachting was echter maar van korte duur. De provocerende arrogantie van de Ieperse oligarchie bleef maar groeien en neutraliseerde de matigende en verzoenende politiek van de graaf. De ambachtslieden voelden zich van langs om meer miskend en getiranniseerd. Al hun nederige vermaningen en verzoeken werden op een hautaine manier verworpen. Het was een situatie die niet langer te verdragen was waardoor hun gemoederen op springen stonden.
De oude samenwerkingsverbanden en de broederschappen die al lang ingesteld waren met het doel om elkaar te verdedigen en wederzijdse hulp te verlenen, waren ontstaan in de schoot van de ambachtsgilden. De wevers, volders, scheerders, ververs en de andere arbeiders van de lakennijverheid waren actief, energiek en talrijk. De meester-lakenwevers die geleidelijk aan welvarend waren geworden, beschikten over de nodige macht in de gemeenschap. De ‘mannen van de draperie’ of van ‘de halle’ hadden een machtige beroepsfederatie ontwikkeld.
Nauw verbonden door onderlinge eden waren ze zich bewust van hun rechten en hun machtspositie. En daarom sloegen ze nu de richting van de volksopstand in. De periode van verzoeken en grieven ruimde plaats voor actie. En zoals de minste vonk kon zorgen voor een explosie, zo brak ook te Ieper door een onbeduidend incident een ongelooflijk noodweer uit in Ieper. De wevers schreeuwden hun alarmkreten uit. Op hun roep namen de ambachtslieden de wapens op en weldra echoden hun stemmen de aanvalskreten ‘Kokerulle! Kokerulle! Kokerulle!’.
Dit is een fragment uit Boek 0000-1289 van De Grote Kroniek van Ieper


