banner
feb 27, 2025
250 Views
Reacties uitgeschakeld voor De ‘uterste vesten’

De ‘uterste vesten’

Written by
banner

Augustus 1325. Het gemeen te Ieper leende geld om de versterkingen op te trekken die weldra de voorgeborchten zouden moeten insluiten. Hoewel de aanleg van deze nieuwe ‘uiterste vesten’ toegeschreven werd aan Zannekin, werd er in de stadsrekeningen toch wel nergens daarvan melding gemaakt. Noch van hem en evenmin van Janszone tot wiens gebied Ieper behoorde. Ik had de indruk dat de aanleg van de buitenvesten feitelijk een heropbouw van de in 1307 afgebroken omheining was. Het plan ervoor was immers door een deskundige opgemaakt en had de goedkeuring weggedragen van Jan van Namen die daartoe bevoegd was geweest. We zagen in alle geval dat al de straten die hun poort hadden aan de binnenvestingen er nu een kregen in de stadsomheining. Met uitzondering van het Steendamstraatje.

Tussen de Komenpoort en de Hangewaartpoort was er ook sprake van de Kortrijkpoort. Om die poorten te bouwen, kochten Ieperlingen al in september 1325 harde zandsteen te Bethune. Ongetwijfeld werden de bouwstoffen van de oude stadspoorten gebezigd voor de aanleg van de nieuwe buitenpoorten. Zeshonderd jaar later zou men – in de zomer van 1932 – bij het uitdelven van de oostkant van de Boezingevaart, in de steenbakkerij van de heren Vanderghote, Dock & Cie nog restanten aantreffen van de oude bedding van die gracht van de bewuste buitenversterking. Langs de buitenzijde ging die gracht over een diepte van 3,00 meter recht naar beneden terwijl de grond ervan gestut was door paalwerk. Aan de binnenkant rees de bodem geleidelijk naar boven. De breedte van deze gracht zou men op ongeveer 11,50 meter schatten.

Op een tiental meter aan de binnenkant van de versterking zou men nog de bedding van een beek aantreffen die ongetwijfeld nog een restant was van de beek die in 1328 langs de binnenkant van de vestingen aangelegd was tussen de Marc- en de Diksmuidestraat. Om hoger vernoemd paalwerk te vervaardigen gebruikte men minstens 940 wagens met hout uit het omliggende en verder nog 20.000 berden of planken die aangebracht werden uit Damme, Sluis en Brugge, aangevuld door ontelbare ‘tailghebalken, middelhouten en uitdragende balken’ van 6,00 meter tot 9,00 meter lengte. De aanleg van de buitenvesten zou drie jaar in beslag nemen en er werd naar verluidt de hele tijd met koortsachtige ijver gewerkt.

De ontdekking van sporen van die uiterste vesten in de steenbakkerij van de heren Vanderghote, Donck & Cie aan de noordelijke grens van het huidige Ieperse grondgebied liet veronderstellen dat de Nieuwe Diksmuidepoort de tegenwoordige Paddevijver afsloot op zowat 160 meter ten noorden van de Bellewaardebeek. Die poort lag ongeveer op dezelfde hoogte aan de Boezingesteenweg, t.t.z. 450 meter ten noorden van de huidige Oude Veurnestraat. Langs de noordkant van het Augustijnenstraat en op korte afstand van de Elverdingseweg zou zich daar in 1438 de Oliedamhofstede bevinden, op dermate wijze dat het bouwland ervan deels van de hoeve afgescheiden was van de uiterste vesten. Daaruit kon men opmaken dat de Nieuwe Elverdingepoort de toegang tot de voorgeborchten moesten verdedigen aan de Elverdingseweg, 100 meter zuidwaarts van de gewezen spoorlijn naar Boezinge.

De Nieuwe Boterpoort bevond zich aan de Poperingesteenweg, ongeveer 100 meter ten westen van de huidige Capucienenstraat. De Nieuwe Mesenpoort bevond zich ten noorden van de Voormezelestraat, t.t.z. van de huidige Kemmelseweg. Stadsrekeningen uit 1327 maakten melding van een weg langs de binnenkant van de uiterste vesten, gaande van die bewuste Voormezelestraat naar Hemelsdale bij Zillebekevijver. De Nieuwe Mesenpoort moest daardoor de huidige Kemmelseweg afsluiten, zodat de vesten tussen deze poort en de nieuwe Boterpoort een machtige boog beschreven die enkel maar onderbroken was door de Nieuwe Tempelpoort die de Tempelstraat verdedigde een eind westwaarts van de huidige Capucienenstraat, op de steenweg naar Dikkebus.

Omdat het Iepers grondgebied langs de kant van de pachthoeve Hemelsdale zeer gegolfd was, zouden ze vermoedelijk de vestingen hebben aangelegd in de vallei tussen de heuvels waar later in 1776 de ‘Franse beke’ bekend zou worden, nagenoeg op de plek van het hedendaagse treinspoor richting Kortrijk. Daaruit volgde dat deze uiterste vesten tussen de Nieuwe Mesenpoort en deze vallei een grote bocht beschreven en dat die enkel onderbroken werden door de Nieuwe Komenpoort midden in de hedendaagse Verdronken Weide, zowat halverwege tussen de zuidoostelijke hoek van de huidige stadsmuur en restaurant ‘De Steenen Haan’ langs de Komenseweg. De uiterste vestingen liepen dan over Hemelsdale noordwaarts verder en moesten rond de Groenstraat (de hedendaagse Zillebekestraat) de Kortrijkstraat bereikt hebben waar de Kortrijkpoort stond. Van daar liepen de vesten naar de huidige Zonnebeekseweg, tot in de buurt van de Potyze waar zich de Nieuwe Hangewaartpoort (ook wel de Zinnebekepoort geheten) aantrof.

Verder wisten we dat de Nieuwe Torhoutpoort de toegang tot de voorgeborchten van de Torhoutstraat verdedigde. Maar waar die poort precies gelegen was, was niet bekend. Naast deze tien poorten in de uiterste vesten waren er ook nog twee posternen of poortjes in voorzien. De posterne van Hemelsdale die uitweg verleende aan de Zillebekestraat en de posterne ‘bachten de Cordenigghen’, zijnde het klooster van de franciscanessen aan de Groenstraat, tussen de Zonnebekepoort en de Kortrijkpoort. De uiterste vestingen moeten zowat 10 km lengte gehad hebben.

Het noorden van de uiterste vesten bevond zich amper 17 meter boven de zeespiegel terwijl dat aan het zuidoosten 36 meter was. Het was dus toch wel een belangrijk vraagstuk om de grachten van deze versterking overal van water te voorzien. De Ieperlingen gebruikten ongetwijfeld alle natuurlijke waterlopen (met uitzondering van de Ieperlee) om de grachten bestendig onder water te houden. Bij sommige poorten bleek dat niet voldoende en moesten er dammen gemaakt worden. Zo onder andere aan de Koestraat, tussen de Boezingepoort en de Elverdingepoort, aan de ‘Cordenigghen, waar volgens de stadsrekeningen meer dan 300 zakken kalk en menigvuldige wagens harde zandsteen, bakstenen en tegels voor gebruikt waren.

Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1290-1380
banner