Woensdag 27 augustus 1919. Op weg naar de valleien van de dood. We reden door het Vlaamse land de weg van Kortrijk tot vlak bij de Franse grens, door het gehavende Menen. Het was een dag met weinig zon en met felle tegenwind uit het zuidwesten. Ook in Menen was hier en daar nog een Duits opschrift te zien. Hoe droefgeestig geteisterd zag de stad er uit, hoe vaal, vuil en modderig-zwart, verveloos en haveloos was de aanblik van de doorschoten, raamloze huizen met de afgerukte daken, de met kogelgaten gestriemde muren, de kuilen in de slecht herstelde straten en in de wegen overal in de omtrek.
Het zou echter nog allemaal veel erger worden en van een ontstellende spookachtige wonderlijkheid getuigen. Buiten Menen was de wind nog feller geworden, en daarbij de bodem heuvelachtiger. Met een vreemde beklemming bedachten we ons dat we nu twintig kilometer zouden moeten rijden, door oorden waarvan de aanblik onophoudelijk triester en aangrijpender zou zijn.
En dat we uiteindelijk tegen het einde van de dag door een volmaakt vernietigde, in granaatvuur en gas vergiftigde landstreek zouden varen. Een wilde woestenij, gekleurd met de doffe kleuren van de dood, één onmetelijk graf, dat beginnende bij de lage stranden van Nieuwpoort pas zou eindigen bij de hoge bergen van Zwitserland.
En zo bestegen we dan, midden stofwolken van enkele auto’s die reizigers terugbrachten na een excursie langs Diksmuide, Poperinge, Ieper, en een groot aantal naar hun woningen terugkerende arbeiders die wegen hielpen aanleggen, de eerste hellingen waarlangs de hoge bomen al gehavend waren. Alsof ze aan de zuidkant door een dodelijk tocht beademd geweest waren. Rondom, in de velden hield de akkerbouw op.
Geen oogst stond meer op de velden, die zich hellend tot in de grauwe uitgestrektheid verloren, een ruimte van wijde, ronde plassen, vuilgroen, zwartachtig onkruid, gore grassen en distels die een omgewoelde bodem dekten. Hier en daar stond nog een lage, tot in de grond verpulverde ruïne, was er zelfs een woning terug opgebouwd.
Daar was dan een boer bezig met houweel en spade om de grond om te spitten. Heel voorzichtig nadat de bovenstaande laag van onkruid, prikkeldraad, fragmenten, stukken hout en ijzer en andere tuig, gezuiverd was. Daar lagen dan in kleine voren, vaak tal van verroeste handgranaten, bommen, machinegeweren, brokken plaatijzer vol gaten. En te midden van die diepe verlatenheid waar geen levend wezen, geen paard of hond of rund of zelfs vogel zich vertoonde, blonk al opnieuw – als een kostbaar kleinood – de vette zavelgrond, goudachtig, bruingeel, klaar om het zaad te ontvangen. Maar, allengs bleef alleen het leven. Het leven op de slechte, haast onbegaanbare nieuw aangelegde straat.
Af en toe bleven we even stilstaan en schouwden we in het rond. Er waren hier geen bomen meer, maar slechts zwarte stompen, waaraan nog versplinterde grauwe, afgeknaagde stammen, soms in schrikwekkende, verkrampte vormen als van verstikte, gewurgde of ijselijk gemartelde wezens die in helse pijnen zieltoogden. Veel van die bomen, waarvan er sommige vroeger blijkbaar een laan gevormd hadden, zoals uit de regelmatige verplaatsing in die woestenij nog te zien was, hadden wonderlijk de vorm van ruwe kruisen. Moeizaam hadden we de eerste hoogte na Menen beklommen.
En verwachtten we, na een uur rijden aan de zuidwestelijke horizon nu Ieper te zien. Maar van de ruïnes van de stad was geen spoor. Helemaal aan de einder rees zuidoostelijk een hoge zwarte heuvel, de weg zelf liep rechtdoor, dwars door het spookachtige van een volmaakt levenloos landschap, waarop de klompen roestig ijzer van verbrijzelde strijdwagens en kanonnen wanhopig als klachten tekenen gaven.
Zoals de toegang van de hel, met zwarte, vierkante gaten verhieven zich gras en onkruid begroeid op verschillende punten in die valleien van de dood, de lang verlaten gebetonneerde schuilplaatsen. Ze leken op graftomben. Te midden van deze ontzettende levenloosheid, die boomstompen, die overblijfselen van helse bedrijven, … was het onmogelijk de gedachten, het vertwijfelde mijmeren af te houden.
Van het gruwelijke feit dat daar in dat mateloze, ontredderde landschap honderdduizenden en honderdduizenden doden lagen. Achter ons begon de zon te dalen, en na nog een uur in haar felle licht zwoegen, tegen de stormwind in, verwachtten we bovenaan, op een nieuwe heuvel eindelijk Ieper te zien.
Maar voor zover het oog turen kon, was er niets anders dan al wat hierboven beschreven stond, en altijd heel diep aan de einder zagen we de zwarte en nu nog donkerder heuvel die de ruimte duister beheerste. De wetenschap dat vele, vele mijlen ons nu scheidden van bewoonbare streken, en dat de ruïnestad met enkele houten herbergen niet ver meer kon zijn, deed ons met een onbeschrijfelijk rampzalig gevoel van treurnis in onze gedachten doorgaan, dwars door de wijde, wijde ellende van de onmetelijke slagvelden. Dan eindelijk! Een paar schamele, houten gebouwtjes met rauwe, fantastische namen. ‘Hell Fire Tavern’, ‘Nieuw Ieper’. Hoe jammerde het ons wanhopig tegemoet met zijn zwarte letters op ruwhouten planken.
En ook de namen van plekken waar vroeger vreedzame dorpen lagen: Geluveld, Veldhoek, waar ooit het goudgele graan statig boog in datzelfde late zomerlicht, voor de diepzinnige bossen, bij stille beken, met de Kemmelberg in de verte. En dan vermeerderden de vele houten estaminets langs de trieste en stoffige weg. Op een plank was de naam van het verdwenen dorp van het Hooge geschilderd.
En daar op die heuvel, tussen die aanklacht, grauw en verschrikkelijk in het uitzicht van het vermoorde landschap, ontdekte onze verbijsterde blik diep beneden die zwarte ruïnes, brokkelig, als geesten of waanbeelden van een akelige droom, het centrum van de dreigende kraters van onontplofte mijnen en granaten en zoveel hels gevallen oorlogstuig; het ontzielde Ieper.
De wind was nu wat gaan liggen. Enkele Britse soldaten en Britse Indiërs met hun tulbanden en donkere bogen, stapten ons voorbij. Tussen de verschrikking van de ruïnes vonden we een restaurant, een houten gebouw waar we heel goed avondmaalden. De eigenaars hadden het op de puinhoop van hun groot eethuis van vroeger laten zetten en noemden het ‘British Tavern’ omwille van de Engelse bezetting van dit deel van het front waar een miljoen Britten gedood of verwond werden.
Het dwalen tussen de puinen van Ieper in de schemering van de avond was van een diepe naargeestigheid. Tussen die bouwvallen – hoe onwaarschijnlijk ook – vonden we soms een klein houten gebouwtje, een herberg terug, en klonk plotseling het geluid van menselijke stemmen.
Dan bleven we even staan voor de bijna compleet ingestorte hallentoren waar de Engelsen borden bij geplaatst hadden met de waarschuwing: ‘Dit is heilige grond, niemand zal één steen hiervan aanraken!’ En elders, in donkere puinhoeken waarschuwden andere borden met ‘doodsgevaar, onontploft oorlogstuig, streng verboden hier te graven.’ Er was ook een bord dat voor de als schimmen rondlopende Britse bezettingssoldaten de weg ‘naar de cinema’ aangaf. Bij een diepe mijntrechter, achter het puin van de kathedraal, waakte één enkele Belgische soldaat, in de buurt van een reeks niet meer te onderscheiden vormeloze steenklompen, waarlangs een vod wapperde.
Op onze vraag of we daarlangs mochten gaan, konden we in het laatste daglicht nog zien hoe hij meewarig, toch wel vriendelijk maar dieptreurig naar ons glimlachte en zei; ‘Nee mijnheer, het is te gevaarlijk’…. Daar in die zwarte kuil zwierf …’de dood van Ieper’. We waren later op het volmaakt duistere station geraakt, en in een pikdonkere coupé van een oude Duitse treinwagon spoorden we naar het nachtelijke Roeselare. In de coupé zaten we samen met een Vlaamse spoorwegbeambte die de hele oorlog in zijn land bleef en ons een en ander vertelde.
In die verschrikkelijke duisternis van de reis, waarin enkel maar de lichten van het Engelse kamp van Zonnebeke blonken, vertelde hij van de rampen en de verwoesting van de stad. In de wonderlijk beschrijvende kracht van zijn langzaam en nadrukkelijk uitgesproken zinnen, doemde voor onze verbeelding het ontzag op voor het gloren van de oorlogsbranden aan de kim. En toen, bij onze aankomst in Roeselare, weerklonken zijn laatste woorden: ‘ja, en het was alsof we het bestierven, toen in hete zomernachten de hemel rondom rood was in die kring van vuur!’
Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper


