Dinsdag 11 mei 1915. Elke ochtend weer werd het lawaai van de kanonnen in beide kampen een beetje in slaap gewiegd, tenzij er natuurlijk een aanval aan de gang was. We snelden door ons ontbijt en verloren geen tijd om weer op weg te gaan naar de Potyze. Het ‘rumff, rumff’ van rondreizende Black Maria’s bewees dat de Duitse haat tegenover het in puin liggende Ieper verre van voorbij was.
Toen we naderden van de stad werden een of twee explosies opgevolgd door een wolk van stof en rook op de plaatsen waren de granaten waren ingestuikt, op de stenen restanten van eerdere ontploffingen die ze nu op hun beurt nog eens flink de hoogte injoegen. Aan de spoorwegovergang ten westen van Ieper moest ik behoedzaam manoeuvreren door de recente kraters die ingeslagen waren in de weg.
Onderweg naar de Grote Markt maakten allerhande bomputten en stapels afval van steen en hout de doorgang moeilijk. De ruimte voor de kathedraal lag een knie diep van de losse plaveien en stenen. Bij het inslaan van de bocht langs de lakenhalle konden we een blik op de gehavende markt werpen. Ons zicht werd ontnomen door flakkerende, vlammende, scharlaken schichten van vuur afgeschoten vanuit de zwarte hoek aan de overkant van de Menenstraat die recht voor ons lag.
De heldere morgenzon, de blauwe wolkeloze hemel erboven, de witgrijze puinhopen en het bloedrood van de springende en worstelende vlammen die ons tegemoet leken te waaien maakten hier een landschap om een schilder te laten watertanden. Ik hield halt. Mijn generaal had eerst aangegeven dat ik me door het vuur heen moest haasten maar ik vreesde niet veel goeds. Zelfs als het mogelijk zou zijn om er door te rijden, bleef er nog altijd de benzine in onze tank.
Naast de vuurzee zagen we dat er aan de rechterkant – in de richting van de Menenpoortbrug – een woning getroffen was door een granaat en daardoor compleet ingestort was en dat de puinhopen ervan de doorgang compleet versperden. Hier zouden tientallen mannen uren werk nodig hebben om de weg voor het verkeer open te maken. Gelukkig nog maar dat de brugovergang niet vernield was. Ik maakte rechtsomkeer met mijn wagen en reed terug naar de Grote Markt, en waagde me nogmaals langs diepe bomkraters in de kasseien en altijd maar die eindeloze puinhopen op mijn weg richting een andere uitweg in oostelijke richting.
Langs een straat die geregeerd werd door zijn troosteloosheid konden we tot bij de oostelijke vestinggracht van Ieper geraken. We kozen de weg naar het noorden en zochten een weg om op de weg richting Sint-Jan te belanden. Altijd maar meer vechten was het, met steenpuin, wrakken en stapels kasseien en plaveien die het traject blokkeerden. Onze wagen kroop letterlijk tot aan de uiterste noordkant van Ieper. En net op het moment dat we onszelf op de borst wilden kloppen dat we onze ongelooflijke hindernissen alsnog overwonnen hadden doemde er een monsterlijke bomkrater van negen meter diameter op in het midden van onze weg, zo diep dat we er niet eens moesten op denken om hier voorbij te komen.
Het was een brede weg maar de granaat was helemaal centraal gevallen en daarbij stenen en aarde tot tegen de uitkanten gegooid. Tussen links en rechts was geen doorkomen aan. Generaal de Lisle en zijn twee officieren stapten uit het voertuig en zetten hun weg te voet verder. Ze gaven me het advies om op te letten en veilig thuis te raken. Gelukkig kon ik blijven rekenen op mijn vertrouwde Dunlops.
Op de Grote Markt hield ik halt om een foto te nemen van de huizen die aan de achterkant van de kathedraal in brand stonden. Elke gebouw in de buurt stond in lichterlaaie, sommige smeulden alleen nog maar of dreigden met hun zwarte rook. De vlammen raasden hevig van de grond tot aan de top van de buurhuizen. Toen ik wat verder ging, kwam een angstaanjagende schok vanuit de richting van de Menenpoort, niet zo ver achter me en het beven van de aarde gooide me zowat omver.
Ik liet mijn idee om nog meer foto’s van de omgeving te nemen, varen en vluchtte schandelijk weg zo snel mijn benen me konden dragen. Toen ik aan de kathedraal voorbijkwam zag ik een mooie border-collie. De hond liep met zijn staart tussen de benen en sloop heimelijk in het rond.
Ik probeerde het dier te lokken maar ik schrikte het alleen maar af. In het westen van Ieper duwde een afgetakelde inwoner met een getekend gezicht en met een schichtige blik in de ogen traag en voorzichtig een kruiwagen voor zich uit, met daarop een pallet. Op die pallet bleek de vormeloze massa van een frêle vrouw te liggen, helemaal ingepakt met dekens in zover deze manier om haar te vervoeren dat toeliet.
Haar huid was zo wit als was en haar ogen stonden groot en glanzend. De vrouw leek niet eens de kracht te hebben om haar op de grond slingerende voet op te heffen. Naast haar liep een stokoud vrouwtje met op haar gezicht alleen maar die blik van agonie, schrik en angst. Pijnlijk om aan te kijken.
De grote kanonnen bleven maar zoeken naar klein Brits geschut, de oude vrouw sprong bij elke explosie nerveus in het rond. Ik bood aan om hen even te helpen maar kreeg geen respons alsof ze reeds de fase van communicatie achter zich gelaten hadden. De verschrikkingen die ze de voorbije weken beleefden in een of andere kelder van deze getroffen stad tartten elke verbeelding.
Deze zielloze mensen waren zonder enige twijfel de laatste Ieperse bewoners die hun stad levend verlieten. De rest van de inwoners die er hardnekkig wilden blijven zouden zeker en vast begraven worden onder de neervallende muren van hun schuilplaatsen of misschien wachtte hen nog een zwaarder lot in de vorm van de vlammen die nu al van de ene kant van Ieper naar de andere raasden.
Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper


