banner
nov 5, 2025
179 Views
Reacties uitgeschakeld voor Een stad zonder ziel?

Een stad zonder ziel?

Written by
banner

Zondag 23 februari 1919. De Ieperse gemeenteraad was dankzij een koninklijk besluit van 3 februari 1919 geldig samengekomen. Dat gebeurde om 10u tijdens een publieke zitting in het gemeentehuis van Touquet- Paris Plage. De volgende personen tekenden present voor deze eerste gemeenteraadszitting: burgemeester René Colaert, schepen Hyppolyte Vandenboogaerde, raadsleden Henri Vanderghote, Charles D’Huvettere, René Boucquet, Henri Sobry, Cyrille Lemahieu, Valère Seys en secretaris Georges Versailles. Voor de aanvang van de vergadering nam burgemeester Colaert het woord.

Sinds hun laatste zitting kenden ze het ongeluk van het verlies van twee van hun collega’s. De heer Fiers was gestorven in Poperinge en Colaert had een lofrede uitgesproken boven zijn graf. Collega Fiers was een man die toegewijd was aan zijn publieke taak en had Ieper ontelbare diensten gewezen. Daarnaast betreurden ze ook het overlijden van schepen Fraeys de Veubeke, een ongelooflijk verlies voor de stad. Aan de andere kant had de oorlog de Ieperse bevolking aan een verschrikkelijke beproeving onderworpen. Tijdens deze ramp hadden zeven- à achthonderd van de Ieperse medeburgers de dood gevonden.

Hun namen waren bekend en op een gepaste tijd zouden ze tijdens een publieke manifestatie deze overledenen herdenken. En dat zou ook het geval zijn voor die Ieperlingen die op het veld van eer gesneuveld waren. Het betrof een twintigtal mannen. Hun namen zouden in marmer gegraveerd worden want ze verdienden het om tot in de eeuwigheid vereerd te worden. Colaert bedankte vervolgens de autoriteiten van Touquet- Paris Plage voor de bewezen diensten sinds de Ieperlingen beslist hadden om zich hier tijdelijk te vestigen en sinds de dag dat hier een meisjesschool van start gegaan was.

Er volgde nu een lezing van de punten van de laatste officiële gemeenteraadszitting die in Ieper was doorgegaan op 24 oktober 1914. Er diende vervolgens beslist te worden wie eerste schepen Fraeys de Veubeke zou vervangen en vervolgens zou de vergadering het hebben over de heropbouw van Ieper-stad. Kwestie van de nieuwe eerste schepen, was de gemeenteraad al een eerste keer – niet officieel – samengekomen te Parijs, en dat op 24 juni 1917. Toen reeds was er in unanimiteit beslist om de stad in zijn vroegere toestand en in zijn huidige omgrenzing volledig te herbouwen. Dat was al een eerste antwoord geweest bestemd voor diegenen die er aan dachten om de stad in zijn verwoeste toestand te laten bestaan.

Iedereen was van mening dat elke heropbouw van Ieper-stad zonder zijn monumenten zou leiden tot een stad zonder ziel. De Belgische regering en de koning hadden nog maar onlangs de publieke opinie wakker gemaakt met het bericht dat de ministerraad beslist had om de steden van Ieper en Dinant in hun ruïnes te houden en nieuwe steden rond deze ruïnes te bouwen. Tijdens een recent bezoek aan Brussel had burgemeester Colaert aan de pers duidelijk gemaakt dat het wel enkel het stadsbestuur was die dergelijke beslissingen kon nemen. Voor de publieke opinie was het belangrijk dat de Ieperlingen zich ferm moesten opstellen en zich niet mocht laten ontmoedigen door al die voorstellen van buitenaf.

De parlementsleden hadden tijdens individuele gesprekken moeten toegeven dat deze beslissing inderdaad alleen maar kon komen van het stadsbestuur. Maar ze hadden ook fijntjes duidelijk gemaakt dat het alleen de kwestie was wie dat allemaal zou moeten betalen. En dat dit financieel luik dan ook niet de zaak was van het parlement maar van Ieper zelf. Er was trouwens een comité in het leven geroepen onder de leiding van minister van Binnenlandse Zaken de Brocqueville. Dit comité zou binnenkort afreizen naar Ieper om definitief zijn mening te bepalen. Colaert verwelkomde de aanwezige toeschouwers die er op gestaan hadden om deze eerste zitting mee maken.

Twijfelen aan de heropbouw van de stad kwam neer op twijfelen aan onze eigen basisrechten en dus mocht het stadsbestuur geen enkele stap zetten in de richting die Brussel wou voorstellen. Dankzij de toenaderingspogingen bij het parlement zou Ieper in elk geval over voldoende materialen kunnen beschikken om tot de heropbouw over te gaan. Dat was toch wat een minister van Staat verklaard had. Dat zou op relatief korte termijn kunnen gebeuren. We zouden kunnen gebruikmaken van een nieuw soort steen – recent uitgevonden – waarmee we alle gewenste vormen en afmetingen zouden mee kunnen maken. Het leek wel een droom te zijn en we hoopten dat die droom ook werkelijkheid zou worden.

Het aantal redenen waarom Ieper moest heropgebouwd waren op de bestaande gordel waren talrijk en beslissend. Ieper was oorspronkelijk tot stand gekomen ten gevolge van meerdere overwegingen die onze voorouders in beschouwing hadden genomen. Op een kruispunt van wegen die bij elke mogelijk verplaatsing van de nieuwe stad plots wel heel problematisch zouden worden. Wat we in Ieper wilden, was een schadeloosstelling om onze stad helemaal opnieuw tot stand te brengen. Door ons te verplichten om dat op een nieuwe locatie te doen zouden we ons aan enorme nieuwe kosten onderwerpen.

Diegenen die Ieper op een andere plaats wilden zien heropbouwen, moesten beseffen dat een derde van de stad nog altijd onder de grond bestond én aan de oppervlakte. De waterleiding van onze twee schitterende vijvers van Zillebeke en Dikkebus was nog nergens gezien in Vlaanderen, net zoals onze stadsverlichting en de bestrating van de binnenstraten. De funderingen van de verwoeste huizen met de talrijke overwelfde kelders hadden weerstand geboden aan de bombardementen.

Diegenen die voorstelden om Ieper op een andere plaats te herbouwen, wisten blijkbaar niet eens dat de grenzen van de naburige gemeenten zich nauw aansloten op de buitenkant van onze stadsgordel en die gemeenten zouden er zelfs niet aan denken om een deel van hun grondgebied af te staan voor het nieuwe Ieper en zich te laten amputeren. En wat dan met het kanaal en de spoorwegen die men zou moeten omleiden? Het was maar al te duidelijk dat onze stad alleen maar tot stand kon komen op zijn huidige funderingen en historische plaats.

We konden toch moeilijk onze unieke vestingmuren plots losmaken van de eigenlijke stad? Het stadsbestuur was resoluut: we zouden Ieper door niemand laten onteigenen. De aanwezige leden van het stadsbestuur beslisten unaniem om deze stelling van burgemeester Colaert te volgen. Ieper kon en mocht onmogelijk opgetrokken worden op een andere plaats waar die al duizend jaar geleden tot stand gekomen was. Ieper moest zijn oud karakter terugkrijgen door de heropbouw van zijn ruïnes, zijn monumenten en zijn artistieke gevels.

Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1918-1924
banner