Op het einde van de 9e eeuw bleek Vlaanderen onverdedigbaar tegen de invallen van de Noormannen en de Franse opperleenheer – koning Karloman – besloot om de verdedigingslinie en de noordelijke grens van zijn rijk achteruit te trekken tot aan de heuvels van Artois. Abt-graaf Rudolf van Ternois kreeg de opdracht om er militaire bolwerken op te trekken. De eerste stenen burchten werden gebouwd aan de Schelde en op de heuvels.
De maatregelen hielpen enigszins. Het werd in elk geval moeilijker voor de Noormannen om door te stoten in het Franse binnenland. Alles wat zich ten noorden van de verdedigingsgordel bevond, was echter het kind van de rekening. Het aan zijn lot overgelaten Vlaanderen kreeg tot aan het einde van 883 de volle laag. De abt van de Sint-Vaast abdij noteerde het: ‘in alle straten zag men lijken, zowel van geestelijken als van leken, edelen en gewone mensen, vrouwen, kinderen en zuigelingen. Er was geen weg of plaats te vinden waar geen doden lagen’.
De in de Brugse bossen verscholen graaf Boudewijn kon na het vertrek van de Noormannen niets anders vaststellen dan dat onze streek totaal geruïneerd was. De akkers lagen er braak bij nadat ze vier jaar lang niet konden bebouwd worden. De veestapel was verdwenen, het merendeel van de inwoners weggevlucht en het zou nog jaren duren vooraleer de mensen zouden durven terugkeren.
Want wie garandeerde hen dat de aanvallen niet zouden herbeginnen? De hele regio was failliet. De Franse koning had Vlaanderen wel erg lelijk aan zijn lot overgelaten! De Fransen leken onze regio op te geven en schonken de in de Franse heuvels gelegen abdijen van Sint-Bertijns en Sint-Vedast aan abt Rudolf. Door de uitgebreide landgoederen die ervan afhingen en de rijke inkomsten die ermee gepaard gingen, was het bezit van deze abdijen ruimschoots dat van een graafschap waard! Het was al bij al een merkwaardig geschenk.
Het kwam er op neer dat de Franse koning Karloman in het noorden van zijn rijk een marke oprichtte en het bevel ervan aan abt Rudolf toevertrouwde. Voor dotatie had deze laatste minstens de Sint-Bertijns en Sint-Vedast abdijen gekregen.
Het leeggeplunderde en doodgemartelde Vlaanderen lag voor het grijpen voor wie dat wilde. De jonge Boudewijn II – de kleinzoon van Karloman – legde de hand op de gouwen Vlaanderen, Aardenburg, Gent, Waas, Mempiscus en Kortrijk. Hij stichtte het vorstendom Vlaanderen. Karloman liet betijen. De geteisterde bossen en velden van Ieper en omgeving lagen voortaan in het vorstendom Vlaanderen.
Daarmee was natuurlijk de dreiging van de Noormannen niet verdwenen. Het bouwen van imposante stenen vestingen bleek de enige remedie om zich te beschermen. Vanaf 884 ging de bevolking overal cirkelvormige burchten bouwen waar de plattelandsbevolking met zijn vee kon vluchten als er gevaar dreigde. Dat was ook het geval voor de villa van Ieper, een eigendom van de graaf.
In 902 werd de villa herbouwd en versterkt. Hier konden de inwoners van het Ieperse hinterland naartoe als er gevaar dreigde. De lokale graven gingen trouwens ook hun eigen verblijven versterken. Stenen gebouwen omringd door slotgrachten moesten brandstichting voorkomen. De versterkingen werden opgetrokken op beboste hellingen in de nabijheid van beken en waterlopen.
Het feodale tijdperk begon nu pas echt. De gewone mensen kregen bescherming van hun burchtheer. In ruil daarvoor werden ze zijn lijfeigenen. Ietwat ten oosten van Ieper, in Zonnebeke troffen we de belangrijkste heerlijkheid – die van de adellijke familie van Rolleghem – aan. Hun heerlijkheid bevond zich pal in het centrum van een domein dat zich uitstrekte tot aan het ‘Lichterveld’, de voet van Ieper, Sint-Jan en Zillebeke, op weg naar het Hooge.
De heer woonde er in zijn motekasteel. Van hieruit had hij totale rechts- en bestuursmacht over zijn grondgebied. De mote had een doormeter van ongeveer 100 meter en werd omringd door een berm van opgehoogde aarde. De gracht errond was diep en breed genoeg zodat er geen mensen of dieren konden overspringen en dank zij zijn aansluiting met de Hanebeek gevuld met water.
De scheiding tussen de berm en de gracht was versterkt met houten palen die vernuftig aan elkaar gemonteerd waren. Binnen de berm en de houten palissade zagen we een opperhof en een neerhof. En waarschijnlijk ook een stenen gebouw met dito verdedigingstoren. Het motekasteel van de rijke van Rolleghem-clan werd ook het Vroonhof genoemd. Het was feitelijk een versterkte hoeve met stallen, schuren en een verblijfplaats voor de ondergeschikte lijfeigenen, het centrum van waaruit die lijfeigenen hun orders kregen om het land van de heer te bewerken.
Het strategisch gelegen Zonnebeekse vroonhof lag precies op het kruispunt van de Hanebeek die de slotgracht dus van water voorzag en de weg tussen Iperen en Roslar. Ter hoogte van het motekasteel vertrok er een weg naar de versterkte burcht van Thicasmuda waar de familie de Bevere de plak zwaaide. Met verloop van tijd zou er ook langs die weg een kapel gebouwd worden: de ‘Capelle ter Poel’.
De landerijen van de familie van Rolleghem strekten zich trouwens uit tot Langemark, de nieuwe kapel werd dan ook opgetrokken op eigen grondgebied. Bij het afsterven van abt-graaf Rudolf eigende Boudewijn II zich al dan niet terecht de bezittingen van zijn overleden neef toe. Sint-Vaast en Sint-Bertijns kwamen in grafelijke handen. En ook het strategisch belangrijke Terwaan dat eeuwen lang de scepter zou zwaaien over de Westhoek belandde in zijn invloedssfeer.
Later zouden de Vlaamse graven de abdijen weer afstaan. Maar abten en graven verdeelden voortaan samen de macht. Ze zorgden er voor dat de lokale boeren bossen rooiden en veranderden in akkerland. De opbrengsten werden gedeeld. En ondertussen moesten de mensen dansen naar de pijpen van de christelijke leer. Midden in de bossen werden nieuwe wegen aangelegd tussen de bestaande bevolkingskernen die nu bestendig uitgebreid werden.
Niet alleen in de regio van Zonnebeke, maar ook in de ingen – open plaatsen te midden van het woud – van Vlamertinge, Boezinge, Vlamertinge, Poperinge en over de hele Westhoek waren veel handen nodig om het vele ontginningswerk uit te voeren en bossen te rooien. Het zeewater langs de Vlaamse kuststreken had zich teruggetrokken.
Waar ooit water stond, graasden nu Friese schapen die zorgden voor wol en werk in het groeiende Ieper. Vlaanderen werd ingedeeld in kasselrijen, gebieden die zich concentreerden rond de steden. Zo ontstond ook de kasselrij Ieper. De abten organiseerden de plattelandskernen in parochies die ze aanvankelijk ‘kerspelen’ noemden. In de kasselrij Ieper bevonden zich meer dan dertig van die kerspelen.
Terwijl de welvaart in de steden piekte en veel vrije mensen zich vestigden in het nabijgelegen Ieper, bleven de lijfeigenen in de kerspelen arm en verweesd achter. Het rooien van de bossen werd bepaald door de graaf en de abt. De bossen in de omgeving zaten vol wild en waren aanvankelijk voorbehouden voor de hobby van de graaf. Jagen! Van Poperinge tot in Roeselare was de bosontginning al volop aan de gang.
Dit is een fragment uit Boek 0000-1289 van De Grote Kroniek van Ieper


