banner
jun 26, 2025
226 Views
Reacties uitgeschakeld voor Een eeuwigdurende Salve Regina

Een eeuwigdurende Salve Regina

Written by
banner

Het jaar 1388. Het was alweer tijd voor een nieuw abt voor de Sint-Maartensproosdij toen de 24e in de rij – Jan IV dit jaar overleed. Die was aangetreden in 1383. Sanderus en de schrijvers van de ‘Gallia Christiana’ vermeldden zijn naam niet eens, maar toch waren er twee stukken die naar deze proost verwezen. Uit welk gat hij vandaan kwam, wisten we niet. We wisten wel dat de stad hun nieuwe kerkleider in stijl ontving en hem twee vaten wijn aanbood die de stadskas in deze barre tijden 162 pond kostten.

Enkele maanden na de dood van Lodewijk van Male, deden zijn opvolger Filips de Stoute en zijn echtgenote Margareta van Male hun blijde intrede in de stad Ieper. Dit gebeurde op 24 april van het jaar 1384, de tweede zondag na Pasen. De ontvangst was schitterend. Vooraleer zich aan te melden bij de lakenhalle, trok de grafelijke delegatie in stoet naar de kerk van Sint-Maartens waar de graaf en gravin ontvangen werden door proost Jan die bijgestaan werd door zijn kanunniken.

Na een gebed in het koor schonken ze twee goudkleurige lakens en een som van 30 pond. Waarschijnlijk nam het grafelijk echtpaar zijn intrek in een appartement in de abdij van Sint-Maarten, zoals hun voorgangers dat pleegden te doen. Filips de Stoute en zijn echtgenote konden met eigen ogen vaststellen in welke trieste toestand de stad zich bevond. De ruïnes stonden er nog. De schade door de vernielingen was nog duidelijk zichtbaar. Ze ondervonden aan den lijve in welke vervelende toestand de abdij zich bevond en vertrokken niet zonder de proost een hart onder de riem te steken en hem alle mogelijke steun toe te zeggen.

Een getuigenis van 29 juli 1385 gaf nog betere inzichten in welke ellendige situatie de kanunniken zich eigenlijk wel bevonden na het desastreuze beleg van de stad twee jaar geleden.

Zonder de hulp van de inwoners dreigden ze er aan onderuit te gaan. Het kapittel engageerde zich noodgedwongen om te eeuwigen dage de ‘Salve Regina’ te zingen voor de weldoeners van de abdij. Het zette zijn belofte zelfs op papier. Tijdens de lange oorlogen die Vlaanderen geteisterd hadden en vooral tijdens het beleg dat negen weken lang gewoekerd had, was de abdij tot aan de rand van de afgrond gebracht. De situatie was zo erg dat de geestelijken niet eens meer voldoende middelen hadden om van te leven.

Zonder de hulp van de voogd, de schepenen en zo veel devote burgers, zouden ze er niet zijn uit geraakt. De kanunniken toonden zich heel erkentelijk voor de hulp die ze mochten ontvangen en beloofden om voor altijd, de zaterdag na de vespers, de grote klok te laten luiden om dan achteraf tussen het koor en het schip van de kerk ter processie te gaan en te zingen voor Jezus Christus, de maagd en al de heiligen. De Salve Regina van de eerste noot tot de laatste.

In geval van verzuim of slordigheid onderworpen de geestelijken zich aan het hof van Terwaan die hen eventueel mocht schorsen of excommuniceren als ze hun belofte niet hielden. Ze boden hun eigendommen aan als borg, en heel speciaal 92 Parijse ponden aan inkomsten afkomstig van de stad Ieper opzij te zetten. Elke keer dat ze hun belofte verbroken, zouden ze 4 pond hiervan besteden aan goede werken. In Ieper zelf viel alles stilaan zowat in zijn vroegere plooi.

De voorbije jaren hadden de kanunniken echter vergeefse moeite moeten doen om aan hun gebruikelijke inkomsten te raken. De mensen bezaten niets meer, hoe konden ze dan nog betalen aan de pastoors? Begin 1385 vond de ontvanger van Sint-Maartens – Jan Dining – het welletjes en besliste hij om allen die schulden hadden aan de proosdij te laten vervolgen voor het schepencollege en het Zaalhof dat de kasselrij van Ieper bestuurde.

De Ieperse schepenen gunden de abdij een twintigtal bebouwde percelen waar ze zelf de grondlasten van konden incasseren en twee gehypothekeerde woningen die aangeslagen waren wegens niet betaalde schulden. Van het Zaalhof kregen de geestelijken voor enkele jaren het vruchtgebruik van twee stukken grond te Boezinge waarvan de eeuwigdurende rente de voorbije 6 of 7 jaren niet betaald werd. Een zekere Ysore van den Brouke betaalde ook al jaren de jaarlijkse rente van 15 pond niet meer, een bedrag dat ze op de verjaardag van de graven moest overmaken aan de proosdij.

‘Het is de schuld van de oorlogen’, verklaarde ze, maar de kanunniken lieten ook dat niet langer aan hun neus voorbijgaan. Ze riepen de hulp in van Filips de Stoute die op 20 januari 1386 op bezoek kwam in Ieper en daar het bevel gaf aan de baljuw en de wet in Veurne te verplichten om Ysore of aan anderen om hun engagement ten opzichte van de proosdij na te komen.

Gravin Margareta van Male toonde eveneens haar goede wil voor de abdij die elk jaar 20 denieren per hectare moest betalen aan de graaf voor gronden die ze in het bezit had gekregen in de stad en de kasselrij van Ieper. Veel van die gronden waren echter onbruikbaar geworden en lagen er nog altijd braak en onbewerkt bij. De geestelijken beweerden dat ze onmogelijk die rentes konden betalen zonder daarbij de kerkschatten te hypothekeren. Op 22 maart van 1387 liet de gravin de betalingen voor de jaren 1385 en 1386 vallen.

Een geschenk van 90 Parijse ponden. Jan van den Spikere, een dokter die in de Zuidstraat woonde, kreeg al sinds 1357 een jaarlijkse toelage van 40 pond. Hij en zijn vrouw Agatha vroegen de deken en de procureurs van de gilde van Onze-Lieve-Vrouw om op 13 februari 1385 voortaan een jaarlijkse herdenkingsmis voor hen beiden te organiseren. Een misdienst in het koor van Sint-Maartens. De regeling werd mee goedgekeurd door de schepenen. Na de dood van Jan van den Spikere of van zijn echtgenote zou de gilde een jaarlijkse herdenkingsdienst houden met inbegrip van een nachtwake, rouwgebeden en een requiem.

De gezongen nachtwake was voorzien op de vooravond van palmzondag. Tien keurbroeders van de gilde zouden de rouwliederen zingen en kregen hiervoor elk 2 stuivers. De gilde zou 30 stuivers voorzien voor de kanunniken en instaan voor de kaarsen, het brood en de wijn voor de offerande en voor 12 denieren voor de diakens. De armen van de stad kregen jaarlijks brood van de beste kwaliteit. In die tijd werd het beste brood omschreven als een ‘platte foach’. Zo’n foach was één derde kleiner dan een tarwebrood of een plattebrood maar het bevatte nochtans evenveel gemalen bloem.

De gilde waarborgde de betaling van alle kosten met een borg op een huis in de Boezingestraat. Tijdens de ambtsperiode van deze proost kreeg Ieper nog meerdere belangrijke bezoekers over de vloer. Zo kwamen op 16 oktober 1386 de hertogen van Berry en van Bourbon, de ooms van de Franse koning Charles VI naar de stad. De volgende dag was het de jonge koning zelf. Jan IV stierf dus in 1388 en werd opgevolgd door Christophe van Diksmuide.

Dit is een fragment uit Boek 1381-1528 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1381-1528
banner