Zondag 14 augustus 1864. De laatste zondag van onze kermis was goed verlopen. Buiten een beetje wind was het weer helder en schoon. Om 10u was er al roering. Hier en daar hoorde men trommels, het waren de boldersgilden die stoetsgewijze door de stad trokken. ‘s Middags dan weer getrommel met het konvooi, de aankomst van de diverse boldersverenigingen en retoricagilden van Kortrijk, Nevele en Poperinge. Om 14u begonnen er reeds sociëteiten van bolders op de Leet samen te troepen.
Om 14u30 begon de stoet, een eerlijke en voortreffelijke stoet, met vaandels, linten en strikken, trommels en schone klederen dat je ogen ervan schemerden. Een tamelijk lange stoet die na het doorkruisen van de voornaamste straten zich naar gildehof ‘Den Dolphijn’ in de Oude Houtmarktstraat begaf. Gilde en straat waren er zeer mooi opgezet. Het feest had geduurd tot 3u30 van de volgende morgen. Roeselare was met de eerste prijs vertrokken.
Om 16u begon het letterkundefeest voor de kamers van retorica, uitgeschreven door ‘De Kunst is ons Vermaak’. Aan het lokaal van deze maatschappij – Hotel Fournier – werd de stoet gevormd, samengesteld uit de gilden De Vloeiende Herten tot Maria van Kortrijk, De Roeise Barbaristen van Poperinge, de Vlaamse Ster van Ieper en nog meer deelnemers. Om 17u begon de plechtige uitreiking van de prijzen voor schoonschrift, kluchtspelen, van verst komende, luisterrijkste intrede en het grootste getal.
Daarna vertrok het volk naar onze Grote Markt waar men bezig was met het opzwellen van de ballon. Welk een schik van mensen was daar! Overal, door alle ramen, alle daken, op elk plekje van de markt stond er volk. Om 18u30 liet men de ballon los. Mijnheer Glorieux zwaaide met zijn hoed en dreef weg in zuidwestelijke richting. Men hoorde overal het galmen van de ‘bravo’s’. Maar plots, o hemel!, een angstgeschreeuw steeg uit van de menigte. De majestueuze bal was amper boven herberg ‘Den Sultan’ gekomen als hij al snel begon te dalen, zo rap dat men voor ongelukken vreesde.
Door de felle wind voortgedreven dwarste hij de Zuidstraat en schuurde hij tegen de daken. Glorieux had het gevaar gezien, wierp zijn anker uit en haakte de ballon vast aan het dak van woning Ducorney op de Botermarkt. Daarna botste de bal tegen het huis van M. Becuwe, brak daar enkele ruiten uit de bovenste verdieping, haperde aan de schouw, smeet deze ten dele af, sleepte enkele stenen en dakpannen van het huis van kapelaan Dehaene en viel dan eindelijk in de achterplaats van de tabakswinkel ernaast. Tijdens het slepen, botsen en vasthaken had de luchtreiziger net zijn nek niet gebroken en hij was als bij mirakel ontsnapt. Vanuit zijn mand op een dak gesprongen van een hoogte van 5 meter, viel hij met zijn benen door de pannen en bleef er vastzitten. Daarna was hij op een muur gesprongen van 6 voet hoog en van daar op de grond. Hij was een weinig aan de kleine vinger van zijn rechterhand gekwetst maar de wonde was niet erg.
Waarschijnlijk deugde de Ieperse lucht niet voor de ballons want die stegen beter op in Kortrijk, ze hadden daar een andere lucht! Klokslag 22u, ‘boummm, psssst, krak, krak, krakkk’. Een vuurpijl van alle kleuren schilderde het hemels gewelf. Het vuurwerk begon. Met molens, erekruisen, slangen, de wapens van Ieper, gouden regens, Romeinse kaarsen, gekleurde bommen en vooral de twee slotstukken die waarlijk de moeite waard waren. Ze voldeden op een loffelijke wijze aan de grote menigte die zich op het Minneplein verzameld had. Alle eer voor de heer Boddaerd-Laheine, een kind van Ieper dat uit de vuurwerkkunst zulke schone vruchten wist te trekken.
De hele tijd door wanhoopten de inrichters van het bal in de stadsschouwburg, want er zat geen levende ziel binnen. Het orkest speelde, speelde niet, maar niemand kwam opdagen. Maar eensklaps, na het vuurwerk, stroomde er zo een grote menigte binnen dat het nu om het zo te zeggen onmogelijk was om te dansen. Deze leute was toch helemaal goed verlopen en om 4u30 in de ochtend geëindigd. En zo waren onze Thuyndagfeesten afgelopen. Enkele van onze lezers hadden ook gevraagd om een verslag van de foire, maar dat viel ons onmogelijk want er was maar één patat-frites, één wafelbak, één manege met houten paarden en één waarzeggerskotje waar men u voor 5 centiemen wel voor 1 frank leugens vertelde.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


