Vrijdag 12 februari 1588. Op deze barkoude vrijdag werden drie lijken aangetroffen. Een van hen was Jan Hutte, landman en pachter van Zillebeke. De twee anderen waren van Houthem. De drie werden twee weken geleden vermoord door Oostendenaars nadat ze als gevangenen blijkbaar niet de minste cent aan losgeld konden opleveren. De sukkelaars waren niet bij machte geweest om zichzelf vrij te kopen. Hutte en zijn vrienden werden aangetroffen onder enkele braambosstruiken bij de molen van Zillebeke. Dat gebeurde bij toeval toen enkele voorbijkomende boeren er een massa vogels zagen opvliegen en ze hoopten daarbij dat daar misschien voedsel verborgen lag.
En zo vonden ze de drie lijken, natuurlijk al in verregaande staat van ontbinding. Zeer geschonden door de wolven, of honden en vogels. Dat crapuul uit Oostende werd echt wel een grote plaag voor de hele Westhoek. Ze doken steeds vaker op, leken uit het niets te verschijnen, altijd in groepjes van twaalf tot vijftien geuzen en voor je ze kon betrappen, waren ze al lang weer verdwenen.
Het Westkwartier kreunde ondertussen onder de immense druk van al die garnizoenen. Spanjaarden, Italianen, Walen, Duitsers, ze moesten allemaal hun voeding krijgen en verwarmd worden. Hun impact op de weggeteerde Westhoek was ontzettend. En het ergst van allemaal was dan nog het feit dat niemand nog kon reizen zonder overvallen te worden door die mannen die op zoek waren naar alles wat ze mogelijk konden begeren. Tot overmaat van ramp bleven de vorst en de winterse toestanden maar aanhouden waardoor vooral de Spanjaarden al het hout verbrandden om zich wat op te warmen. In de wijde omgeving van Ieper kapten en stripten ze alles wat maar rook naar hout. De arme appelbomen waar we zoveel plezier aan beleefden, waren al allemaal gekapt.
Om het volk in de stad wat gerust te stellen verscheen er op 22 februari een hallegebod: wie hout wilde kappen, mocht dat voortaan doen op de kasseiweg naar Waasten, vanaf de mijlsteen. Daar mochten de bomen aan beide zijden van de weg afgehouwen worden zonder iets te misdoen. In de praktijk betekende dat toch enkele mijlen verwijderd van de stadsmuren. En terwijl de strenge kou aanhield, toonden sommige Spanjaarden niet het minste respect voor de verordening van het stadsbestuur. Ze kapten al de jonge bomen aan de Waastense kassei en deden dat vooral in de buurt van de ommelopen.
Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper


