Zaterdag 26 juli 1788. Malou Pierre-Antoine-Joseph-Malou-Riga werd verkozen tot tweede aanvoerder van de gilde of het broederschap van Sint-Sebastiaan. Hij liet er zich al direct opmerken bij het zweren van de drie eden van de oude privileges van de Ieperse burgerwacht, privileges die in hun bestaan bedreigd werden door het bestuur van de Oostenrijkse Nederlanden. Malou-Riga kwam op om die oude voorrechten te verdedigen. Maar wie was hij eigenlijk? De man was begiftigd met een redenaarstalent en voorzien van een hardnekkige en karaktervolle vaderlandslievendheid.
Ieperling Pierre-Antoine-Joseph Malou was op 2 juni 1777 te Brussel in het huwelijk getreden met Marie-Louise Riga, de zuster van een Leuvense kanunnik. Het koppel zou twee kinderen krijgen. Zijn vader was Jean-Baptiste-François Malou. Pierre-Antoine Joseph Malou genoot in Ieper van een groot aanzien en was bijzonder populair. Hij werd tot schepen verkozen, een functie die hij ingevuld had voor 1786.
Terwijl hij zich in de zakenwereld stortte, bleef hij zich ondertussen met hart en ziel bezighouden met de belangen van zijn geboortestad die hem alleen maar kon toejuichen omwille van zijn toewijding en zijn gevoel voor initiatief. Het waren deze kwaliteiten die hem de typische bijnaam van ‘Hansje van alle spelen’ schonken. Toen in 1788 de Oostenrijkse regering plots liet weten dat het gebruik van de typische uniformen van de Sint-Sebastiaansgilde zou verboden worden, was dat voor Malou-Riga onaanvaardbaar.
Die uniformen herinnerden de gildeleden aan de bravoure en de glorie van hun voorvaderen van de Vlaamse steden. Malou-Riga baseerde zich op authentieke documenten om van de regering een verlenging van de oude privileges te verkrijgen, vooral omdat de gilde het nu nog altijd waard was omdat de gildeleden nu nog altijd zorgden voor de orde in de stad. Het was een verzoek dat – hoewel op een onderdanige en eerbiedige manier gevraagd – door keizer Jozef II verworpen zou worden door een decreet van 23 maart 1789. Hij eiste de gehoorzaamheid van alle soortgelijke verenigingen van Vlaanderen.
Die autoritaire beslissing was niet van die aard om de Vlaamse bevolking te plezieren, de Vlamingen die zo gehecht waren aan hun herinneringen van een heldhaftig verleden en altijd al klaar gestaan hadden om te strijden om hun voorvaderlijke rechten te doen respecteren. De vurige inborst van Malou-Riga was extra geraakt door de harde maatregelen van de keizer, vooral omdat de maatregel een onnodige wonde toebracht en dat die enkel leidde tot een woede-uitbarsting tegen Jozef II. De keizer was trouwens sinds zijn aanstelling in 1780 zo onvoorzichtig geweest om in onze provincies een hele reeks van onpopulaire hervormingen op te dringen waardoor hij zich al in 1785 gehaat had gemaakt in de geest van de Belgen.
We wisten al hoe zeer zijn godsdienstige hervormingen hem de bijnaam van keizer-koster gegeven hadden en de hele clerus en de bevolking bijzonder mistevreden hadden gemaakt. En vanuit die colère was er heel wat bedenkelijke heisa ontstaan bij de boeren en ook al in de steden. Die gewelddadige tegenstand zou niet lang daarna leiden tot uitbarstingen over het hele land.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


