De Diksmuidestraat was de derde hoofdstraat van de stad, beginnende aan de noordzijde van de Grote Markt en aldus voortgaande tot aan de Diksmuidepoort. Ze werd zo genoemd omdat ze naar deze poort leidde Volgens Jules Cornillie trof men ongeveer in het midden van de huizenrij noord van de Grote Markt de Diksmuidestraat aan, al onder die naam bekend in 1220. Die liep via Pilkem, Kortekeer en Langewade naar Diksmuide. Aan de oostzijde van de Diksmuidestraat had men de Oude Houtmarktstraat, de Cartonstraat, de Recollettenpoort en het Weduwenstraatje. De huizen met hun erven aan die kant van de Diksmuidestraat en ten noorden van de Cartonstraat maakten in vroegere tijden deel uit van het leen ‘Prinsen Rolleghem’, een eigendom van de graaf.
Aan de westelijke kant van de Diksmuidestraat troffen we de Slachthuisstraat, de Surmont de Volsberghestraat met zijn zijstraten en de Janseniusstraat. Die kant van de Diksmuidestraat, ten noorden van de Surmont de Volsberghestraat t.e.m. het Brakkestraatje maakte eertijds deel uit van het leen ‘Stede-Rolleghem’ dat in 1512 verkocht was aan de stad. Verderop noord van de Surmontstraat en ten westen van het Blauwe Leliestraatje lag de vroegere ‘Vrijdom of Graafschap van Sint-Maartens’. Aan de zuidelijke hoek, gevormd door de Surmontstraat en de Diksmuidestraat stond, tot in de 20e eeuw nog een herberg ‘Het Klein Ieper’. Mogelijk was de naam ‘Klein Ieper’ nog een overblijfsel aan de tijd dat hier de zetel van het Rolleghemse lag, dat door zijn bijzonder bestuur een wezenlijk deel uitmaakte van de stad en daarom als klein Ieper genoemd mocht worden.
94. Geestelijk Gevangenhuis Straatje. Het eerste straatje aan de westkant (de linkerzijde) van de Diksmuidestraat, komende van de Grote Markt, en zo westwaarts lopend tot aan de achterpoort van het bisdom waar het Zwarte Zustersstraatje (95) begon. Het werd zo genoemd omdat het gevangenhuis van de geestelijke personen aan de noordzijde ervan gebouwd was. In latere tijden werd dit straatje samengevoegd met het volgende dat nu bekend werd als het Blinde Lindestraatje. Deze straatjes werden ter gelegenheid van de naamsveranderingen van 1807 allen samengebracht onder de naam van de Janseniusstraat, ter nagedachtenis van Cornelius Jansenius, de zevende bisschop van Ieper, of omdat het zogenoemde Janseniuskwartier daar omtrent gebouwd was, zoals hiervoor al vermeld.
95. Zwarte Zustersstraatje. Deze straat begon op het einde van het Geestelijk Gevangenhuis Straatje en liep zuidwaarts langs het erf van het bisdom en het besloten kerkhof tot aan het Nieuwerck. Dit straatje had zijn naam ontleend aan het klooster van de zwarte zusters dat aan de oostzijde ervan gebouwd was en afgeschaft werd op 11 november 1796. Het Zwarte Zustersstraatje was nu samengevoegd met het voorgaande (94) en het hier volgende straatje (96).
96. Sint-Maartensstraat. Zo geheten omdat ze langs de kerk van deze naam gelegen was. Ze nam haar aanvang tussen het Nieuwerck en het Zwarte Zustersstraatje en leidde westwaarts langs het stadhuis tot aan de Leet. De kapel van de heilige geest, afgebroken op het laatste van 1799 stond in het midden van deze straat die om onbekende reden ook soms de Blindeliedenplaats werd genoemd. Nu was ze, naast het deel van het kerkhof dat er naast gelegen was, vervoegd met de twee voorgaande straten (94) en (95).
97. Hoerestraatje. Dit straatje begon in de buurt van de Diksmuidepoort en liep langs de Diksmuidestraat westwaarts langs de vestingen tot aan de gewezen Boezingepoort. Het werd zo geheten omdat er aan de noordzijde ervan een herberg stond, genaamd ‘De Grijpvogel’, waar diverse vrouwspersonen woonden die hun lichaam aan alleman ten beste gaven. Dit straatje was eveneens bekend onder de naam van Sint-Maartens Nieuwweg of Nieuwstraat, sinds – in het jaar 1686 – de nieuwe vestingen aan de noordkant ervan gebouwd werden. Het had deze naam van Sint-Maartens Nieuwweg behouden. In de oude tijden – te weten voor het jaar 1383 – werd het ook genaamd als Gildestraatje.
98. Oude Houtmarkt. Zijnde de eerste straat aan de oostkant of de rechterkant van de Diksmuidestraat, vertrekkende van de Grote Markt. Die strekte zich oostwaarts uit tot aan de Korte Torhoutstraat en werd zo genoemd omdat hier in vroegere tijden de markt van alle slag van brandhout gehouden werd. Vroeger werd de straat als Sint-Maartens Neerstraat genoemd, waarschijnlijk omdat die vanuit Sint-Maartens laag afliep tot aan de Torhoutstraat.
Ze werd in elk geval zo genoemd in bescheiden van de jaren 1432 en 1498. Volgens Jules Cornillie verbond de Oude Houtmarktstraat de Diksmuidestraat met de Korte Torhoutstraat. In vroegere tijden werd daar de veemarkt gehouden, maar met Paasavond van 1663 bracht men er de houtmarkt uit de Cartonstraat naartoe zodat deze straat ook de naam ‘Houtmarktstraat’ of de ‘Oude Veemarkt’ kreeg. Toen deze markt ruim een eeuw later alweer verhuisde naar de huidige Surmonstraat werd ze voortaan de ‘Oude Houtmarktstraat’ genoemd.
99. Recollettenstraat. Deze was de tweede straat aan de oostzijde van de Diksmuidestraat, de tweede rechts dus, komende van de Grote Markt. De straat strekte zich oostwaarts uit tot aan de Lange Torhoutstraat. Het klooster van de paters recolletten dat daar in de buurt gebouwd was en afgeschaft werd op 2 november 1796, had zijn naam gegeven aan deze straat die ooit een van de schoonste en breedste straten van de stad geweest was. In oude bescheiden werd die soms vernoemd als Frère Mineurs of Minderbroederstraat.
Nu in 1807 was haar officiële naam het Andries Geerardts (of André Gérard) Straatje, zo genoemd naar nagedachtenis van Andreas Gerardus Iperius of van Ieper, hier geboren op 16 mei 1511. Hij was een man van hoge geleerdheid. Dat bewezen zijn diverse werken van redenaarskunst, wijsbegeerte, wiskunde en twee verhandelingen over de godgeleerdheid. Hij had – ondanks het feit dat hij geboren werd uit twee christelijke ouders – het geloof van Calvijn overgenomen. Hij stierf in Marburg in Neder-Hessen als leraar van de plaatselijke hogeschool daar. Zijn overlijden dateerde van 1 februari 1564, hij had de leeftijd van 53 jaar bereikt.
100. Beluik van de recolletten. Deze plaats werd nu in 1807 genoemd als het Beluik van Andries Geerardts en samengevoegd met de grond waar aan de noordzijde ervan ooit het klooster van de recolletten gebouwd was. Men kon naar dit beluik gaan vanuit de Recollettenstraat als men uit de Diksmuidestraat kwam.
101. Kastanjestraatje. Beginnende bijna rechtover de Sint-Maartens Nieuwweg, aan de oostzijde van de Diksmuidepoort, zijnde het derde straatje rechts van de Diksmuidestraat komende van de Grote Markt. Het strekte zich uit langs de vestingen tot aan de gewezen Torhoutpoort en had nu geen uitgang meer. Want tijdens het bouwen van de nieuwe vestingen in het jaar 1686 werd het grootste deel van dit straatje dat naar het oosten liep aan de paters recolletten geschonken om hier hun tuin uit te breiden tot aan deze vestingen.
Op het ander deel, komende aan de Diksmuidestraat werden naderhand enkele huizen gebouwd voor de arme weduwen om welke reden het in 1807 nu officieel genoemd werd als Weduwenstraatje. Het was aanvankelijk genoemd als Kastanjestraatje omdat daar enkele kastanjebomen groeiden op het erf van Willebrord Gijselbrecht die van Spanje afgekomen was en die kastanjes aan de noordkant van deze straat geplant had. Volgens bescheiden van 1498 was die naam vroeger het Bilkstraatje. Jules Cornillie gaf aan dat de naam van dat Kastanjestraatje volgens de chroniqueurs kwam van een bakker – Willem Ghisbrecht – die zes jonge kastanjebomen meebracht van Spanje en ze hier voor zijn deur plantte. Deze boomsoort was in Vlaanderen onbekend en de kastanjebomen groeiden hier weelderig.
102. Korte Torhoutstraat. Zijnde de vierde hoofdstraat, beginnende aan de oostzijde van de Grote Markt en eindigend aan de Lange Torhoutstraat. Deze straat werd zo genoemd omdat ze naar de poort van diezelfde naam leidde en nu gesloten was. De Korte en Lange Torhoutstraten stonden anno 1807 nu beiden bekend als de Torhoutstraat. Volgens Jules Cornillie bevond zich rechtover het toekomstige Zinnelozengesticht in de Lange Torhoutstraat een groot huis dat in delen verhuurd werd. Het huis zou in de 19e eeuw bekend worden als ‘De Blauwe Zulle’ omwille van de zware dorpel in leisteen die onder de voordeur lag. Een twintigtal meter dichter bij de Grote Markt troffen we achter de woning van leerlooier Domicent een beluik aan met in totaal zo’n 28 huizen die in de 19e eeuw ook bekend waren als de ‘Hutsepot’.
103. Kauwekijnstraatje. Die begon aan het einde van de Korte Torhoutstraat en liep van daar zuidwaarts tot aan de Antwerpstraat. Deze naam was haar, zo men beweerde, gegeven omdat daar in de oude tijden een vrouw woonde van Noorwegen die wenkbrauwen had die zo zwart waren als een kauw en gemeenzaam genoemd werd als ‘kauwekinde’. Tegenwoordig in 1807 was deze straat nu samengevoegd met de Bollinckstraat of de Bollingstraat (110).
Ze vormden beiden nu de Napoleonstraat, en vereerden op die manier Napoleon Bonaparte, keizer van Frankrijk en koning van Italië, geboren in Ajaccio in Corsica op 15 augustus 1769 en gekroond op 2 december 1804. Cornillie had een andere uitleg. De naam Kauwekijnstraat was een verbastering van Cauwertincstraat, naar de naam van de familie Cauwertinc. Ze werd ook nog de Kauwekindstraat geheten. Aan het uiteinde van de Menenstraat, juist tegenover de Menenpoort, lag in noordelijke richting de Kauwekijnstraat. Die stond al in 1283 bekend als de Cauwentinestraat. In het Middel en Hoogduits betekende kauwezin evenveel als wisselagent, lombaard of woekeraar. In de stadsrekeningen van Brugge hadden ze het over hun ‘cauwersinen die ghelt lenen omme meer ghelts’.
In een oorkonde van 1297 uit het archief van Ieper werd hier te Ieper ‘Sare Cauwersine’ vermeld. Zeven jaar later hadden de stadsrekeningen het over Jehan en Clais Cawersin die hier zonder twijfel de geldhandel uitoefenden. Er mocht dus best geconcludeerd worden dat de geldhandelaars in den beginne hun inrichtingen uitbaatten in deze Kauwekijnstraat.
104. Lange Torhoutstraat. Die begon waar de Korte Torhoutstraat zich afscheidde van de Napoleonstraat en loopt zo verder tot aan de gewezen Torhoutpoort van dewelke ze haar naam bekomen had. Volgens het oud plan van Ieper moest er in vroegere tijden aan de oostzijde van deze straatje een klein straatje geweest zijn dat naar de vestingen leidde en naderhand gedood werd en samengevoegd met de erven van de aanpalende huizen. Dat straatje begon ongeveer halverwege deze straat welke nu vervoegd is met de Korte Torhoutstraat (102). De Torhoutstraat (1276) werd volgens Jules Cornillie vermoedelijk vroeger de Noordstraat geheten (1225) en zou later de Korte Torhoutstraat worden, terwijl dat deel van de weg naar Torhout dat in 1214 bij de stad ingelijfd was nu de Lange Torhoutstraat werd genoemd.
105. Dry Ling Straatje of Drielingstraatje. Liggende halverwege aan de westzijde (links) van de Lange Torhoutstraat en dat verder westwaarts strekte tot tegen de muur van het klooster van de recolletten. Het werd in de oude tijden genoemd naar een zekere Katheline van de Kapelle, echtgenote van Michiel Komtdaer die drie keer op tien jaar tijd in het kraambed beviel van drie kinderen.
Deze naam was niet meer bekend want nu werd dit straatje, omdat zich daar nu een blekerij bevond, het Blekerijstraatje genoemd werd. Omtrent het begin van de 16e eeuw werd het straatje om onbekende redenen het Sint-Cristoffelstraatje genoemd. In de Lange Torhoutstraat, haast tegen het gewezen hospitaal trof men volgens Jules Cornillie dat Drielingstraatje aan. Vermoedelijk zo geheten omdat er maar drie huisjes gebouwd stonden. De kronieken vertelden evenwel dat het die naam kreeg omdat een zekere vrouw Callintje van de Kapelle, de echtgenote van Michiel Komtdaer er drie maal een drieling ter wereld bracht, telkens met een tussentijd van vijf jaar.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


