Het bezant bevond zich niet in de lakenhalle. Het was een afzonderlijk en speciaal gebouw dat welbewust gescheiden was van het stadhuis. Het loonde zeker de moeite om er wat meer over te vertellen. In Ieper bestond er een gilde die belast was met het onderhouden van de orde in de stad en het consolideren van de vrede tussen de inwoners.
Die gilde beschikte over een vorm van jurisdictie en de sleutels van de stadspoorten werden aan deze wachters toevertrouwd. De hoofdman van het bezant was benoemd voor het leven en diende tevens als hoofdman van de Raad van 27. Hij bezette een vrij belangrijke bestuurlijke functie en oefende tezelfdertijd juridische taken uit. Deze gilde van ‘apaiseurs’, werd verder in het Iepers ‘paisiers’ of ‘paisanters’ en verbasterd ‘besanters’ of ‘bezanters’ genoemd. De gilde van de bezanters was even oud en misschien wel ouder dan de eigenlijke stad.
De bezanters lagen naar mijn mening aan de basis van het bestaan der raadsleden, later de ‘27’ genoemd, t.t.z. de hoofdmannen van de belangrijkste gilden die de gemeenschap organiseerden; de ‘communitas ordinata’, de moeder van de stad Ieper. De wet die door graaf Filips van de Elzas in 1171 en 1174 geschonken werd aan de schepenen en de gemeenschap van ‘le vile dypre’ was naar mijn weten het oudste document dat melding maakte van de ‘paiseurs’ die dan aangeduid waren door de schepenen.
Deze lokale organisatie was dermate oud en belangrijk en verdiende het ongetwijfeld om als onderwerp van een speciale studie te dienen. Net zoals bijna al onze volksgilden over een eigen lokaal beschikten, was dat eveneens het geval voor de bezanters die zich ophielden in het ‘paisanters huus’, kort gezegd het bezant. Al van in de vroegste tijden bevond de hoofdzetel van de stadspolitie zich aan de zuidkant van de Grote Markt, bijna rechtover de uiterste oostkant van de lakenhalle, op een terrein dat in de 19e eeuw bezet werd door de vierde woning ten westen van de Dhondtstraat.
Een document van 1361 handelde over het bezant. Dat liet weten dat in 1359, na de verkiezing van hun aanvoerders, de ambachten revolteerden en zich in de maand juli meester maakten van het bezant en ze er de bezanters en hun hoofdman verjaagden.
Vervolgens vervingen ze de bezanters door volders en wevers die door het gemeen waren uitgekozen. Ik had tevergeefs gezocht wanneer het eerste bezant gebouwd werd. Maar het was zo goed als zeker dat die oude gilde van paisantiers hun speciaal ‘huis’ al had vanaf de hoge middeleeuwen en dat dit oorspronkelijk ‘paisantershuus’ altijd al gestaan had op de plaats die ik zojuist aangegeven had. Deze zetel van de lokale politie van Ieper was in 1404 nog niet volledig in de handen van de stad. Op 4 maart 1404 kochten de penningmeesters Gilles van Lo de Oude en Eloi de Busscops aan een zekere Brixis de Vos en zijn echtgenote Christine de helft van een woning die gebruikt werd als bezant, en dat omwille van de 5 Parijse ponden rente die erfelijk was.
Men beweerde dat alle particuliere woonsten in het verleden hun eigen naam droegen. Het gebruik om huizen in die tijd een nummer te geven, was nog ver verwijderd. Volgens ons document van 1404 werd deze woning voor de helft gekocht door de penningmeesters van de stad en was het gebouw gelegen op de Grote Markt, aan de zuidkant ervan tussen de huizen genaamd ‘spaengen’ en ‘cornemarct’. De voorgevel van het oorspronkelijk bezant was gemaakt van hout en steunde op een stenen fundament dat op het document omschreven stond als ‘steenen voorhoofde’. Schilder-glaswerker Matheus Plaetevoet plaatste er in 1438 vier kleine glasramen met de wapens van de hertog van Bourgondië en van de stad Ieper.
We beschikten over geen enkele inlichting rond de stijl en de decoratie van het oude huis van de bezanters. Rond het midden van de 15e eeuw bevond het gebouw – dan al bijzonder oud – zich in een heel slechte toestand. De Ieperse schepenen beslisten om het te laten afbreken en opnieuw op te bouwen. Onze stadsrekeningen boden talrijke inlichtingen over deze heropbouw en misschien kon ik me nu een precies idee vormen van het nieuw bezant. Vooraleer te beginnen met deze constructie werd een lastenplan opgesteld met plannen en een bestek.
Die gaf minutieus aan hoeveel meter werken er dienden te gebeuren, de diverse soorten en afmetingen van het hout, de kwaliteiten en kwantiteiten van de andere benodigde materialen. Het bestek omvatte de prijs van de werkuren en de levering van alle materialen. Met uitzondering van de levering en de plaatsing van het loodsoldeer voor de goten en andere werken met lood. Na een grondige studie van het project werd de aanbesteding aangekondigd d.m.v. publicaties die opgehangen werden aan de daartoe bestemde plaatsen.
De aanbesteding ging door op de vastgestelde datum. Meester Joris Wagheman, die de laagste insteekprijs bood, werd aangewezen als aannemer voor een prijs van 415 ponden. Deze som leek minimaal te zijn maar om de relatieve waarde ervan in te schatten, diende ik rekening te houden met de prijzen van de levensmiddelen, materialen en salarissen in het midden van de 15e eeuw.
Meester Joris Wagheman zette zich direct aan het werk. De aangevatte constructie werd prompt afgewerkt in 1449 en vanaf het daaropvolgende jaar konden ze zich bezighouden met de decoratieve binnenwerken van het nieuwe bezant. Ryke Broederlam werd belast om die werken uit te voeren. Hij beschikte niet over het talent of het genie van zijn al dan niet familielid Melchior Broederlam maar toch was de man best een kundige schilder. De Ieperse penningmeesters gaven hem zoals gezegd de titel van ‘portretwerker’ en in 1450 getuigden ze nogmaals van zijn vaardigheid.
Het nieuwe bezant was inderdaad rijkelijk gestoffeerd door die meester, voorzien van verguldsels en schilderwerken. Men kon er twaalf grote rozen en zes kleinere exemplaren bewonderen, allemaal verguld, net zoals de bouten die gebruikt werden om ze er aan vast te hechten. Vier bijzonder kunstig versierde ijzeren stangen rond dewelke windwijzers in de vorm van vlaggen gleden, waren op het dak geplaatst. De grootste van die windwijzers in het midden was geschilderd. Aan de ene kant met de wapens van de hertogin van Bourgondië. En de drie kleinere windwijzers droegen respectievelijk de wapens van Vlaanderen en die van Ieper.
Meerdere kleine windwijzers, ook al verguld en geschilderd, prijkten verder nog op het gebouw. Om de nu al rijke versiering van het dak te vervolledigen, werd Ryke Broederlam belast met het schilderen van drie grote blazoenen. Een met de wapens van Bourgondië, de andere met die van Vlaanderen en de derde met de wapens van Ieper.
Naast de drie vergulde zonnen schitterden in het midden nog de wapens van Frankrijk, Vlaanderen en Ieper. De hele voorgevel werd versierd met stoffen voorzien van olieverfschildering. Beeldjes of ‘mannekinne ten carteelen’ versierden met hun pittoreske vormen en met hun scala aan kleuren deze gevel die eveneens bedekt was met polychroom schilderwerk. En dan prijkten er bij de ingang van het bezant leeuwen met wapenschilden. Twee draken in lood als watersproeiers staken uit op de plaats waar het dak zijn aanvang vond. Ryke Broederlam had deze draken eveneens beschilderd, net zoals hij dat gedaan had met de wapenschilden.
Het nieuwe bezant was dus zoals het oorspronkelijk huis van de paisantiers; een houten constructie die gebouwd was op een stenen fundament. Het gebouw was zo goed als helemaal herbouwd. Alleen het stenen fundament had men behouden. Met zijn talrijke geschilderde en vergulde windwijzers, zijn sculpturen en zijn polychrome schilderingen betekende het paisantershuus van Ieper één van de merkwaardigste en meest pittoreske openbare gebouwen die opgetrokken waren tijdens het Bourgondisch bestuur. Aan de binnenzijde van het bezant trof men een grote zaal aan die diende als wachthuis voor de bezanters van dienst.
Daarnaast was er het kabinet of bureel van hun hoofdman en een opslagruimte of voorlopige cel waarin men de ordeverstoorders die men bij heterdaad betrapt had, opsloot. Iedereen van welke rang of stand ook – zelfs een geestelijke – kon er in ondergebracht worden vooraleer uitgeleverd te worden aan zijn of haar respectieve rechter.
In de 17e eeuw toen Ieper regelmatig belegeringen moest doorstaan, werd het bezant een belangrijke oorlogsplek en de zetel van een permanent garnizoen. De bezanters verloren toen een van hun belangrijkste opdrachten en ze werden niet langer belast met het openen en sluiten van de stadspoorten.
Het toezicht op de sleutels van de stad werd dan toevertrouwd aan de militaire gouverneur van de stad en men ging over tot het openen en sluiten van de stadspoorten – zelfs in vredestijd – met een bepaald ceremonieel en met een overdaad aan voorzorgsmaatregelen die op vandaag ridicuul en onnodig zouden lijken. De gilde van de bezanters verloor nog andere taken en zou uiteindelijk ook zijn gildehuis op de Grote Markt verliezen. Voor 1782 was het bezant dat in 1449 opgetrokken was door Joris Wagheman niet meer dan een nutteloos openbaar gebouw. Het werd op 8 april 1782 trouwens verkocht.
Dit is een fragment uit Boek 1877-1913 van De Grote Kroniek van Ieper


