Dinsdag 28 december 1779. Zaterdag laatst, om 14u30 was – op klaarlichte dag – een gruwelijke brand uitgebroken in de Elverdingestraat, aan de noordzijde tegen de vesten, rechtover het spreekhuis van de paters augustijnen. Op de plaats waar de weduwe van een zekere Andries de Clercq woonde, een gewezen kaasboer.
Deze weduwe had drie dochters van dewelke de middelste, met name Coleta 26 jaar oud was maar wel onnozel, ja half zot was. Deze krankzinnige dochter had daags te voren gedreigd om het huis in brand te steken, iets wat ze op de vermelde zaterdag ten uitvoer had gebracht. Want ze ging op de zolder met haar vuurketel waar grote hopen hooi bij elkaar geveegd waren en had daar zo’n hoop in brand gestoken. Ze ging vervolgens naar haar kamer en riep naar haar zuster die beneden was dat ze het huis in brand had gestoken. Die zuster nam haar zotte klaps niet ernstig. Daarop riep de krankzinnige nog maar eens.
Toen die zuster iets begon te ruiken, was ze op haar geroep naar de zolder gegaan waar ze zag dat het hooi in dusdanige volle brand stond dat de vlammen al het dak van de woning in brand hadden gezet en uiteindelijk heel het huis in brand kwam. Ze moesten nog met geweld het krankzinnig meisje uit haar kamer halen terwijl ze riep dat ze het huis in brand had gestoken en zich nu wilde gaan verdrinken. Terwijl heel de bovenzijde van het huis brandde, had men beneden de beste meubels proberen te redden.
Het vuur nam echter zo’n snelle uitbreiding dat de twee nabij liggende huizen in duizend gevaren waren van mee af te branden. Waarom al de buren uit de omgeving hun goed uit hun zolders en kamervensters op straat smeten om het te redden. Maar door de hulpmiddelen van de stedelijke waterspuiten en het toestromend volk werden de aanpalende huizen beschut waardoor de brand niet verder kon uitbreiden. Maar datzelfde huis was tot aan de grond toe afgebrand, tot grote schade van diezelfde weduwe De Clercq. Op diezelfde dag had men, om verdere ongelukken te voorkomen deze onnozele dochter in de gevangenis gestoken.
Dit is een fragment uit Boek 1600-1784 van De Grote Kroniek van Ieper


