Maandag 12 januari 1931. De heer Vermeulen gaf volgende redevoering over de toestand van de Openbare onderstand: voor de oorlog waren de Openbare Godshuizen en het Bureel van Weldadigheid twee gescheiden inrichtingen. Als de oorlog een einde nam, bevonden de Openbare Godshuizen van Ieper zich in een bedenkelijke toestand. Er was sprake van een totale vernieling van al de gebouwen, zowel te Ieper als op den buiten. Eén enkele hoeve was ongeschonden gebleven en twee hofsteden konden mits grote kosten hersteld worden. Al de landerijen en bossen gelegen te Zillebeke, Zandvoorde, Hollebeke en Wijtschate lagen in een toestand van gehele verwoesting, zo slecht dat veel lieden beweerden dat ze nooit meer vruchtbaar zouden worden.
Voor het Bureel van Weldadigheid, wiens eigendommen ten dele buiten de vechtlijn gelegen waren (Vlamertinge, Dikkebus, Elverdinge en Oostvleteren) was de vernieling niet zo algemeen, maar toch aanzienlijk. De commissies waren om zo te zeggen helemaal te vernieuwen. Twee van de vooroorlogse leden bleven over voor de Burgerlijke Godshuizen en twee voor het bestuur van Weldadigheid. Voor het personeel was dat hetzelfde. De beide heringerichte commissies hernamen hun werking. Deze van de Godshuizen in een barak op de Kalfvaart op 20 maart 1920, deze van Weldadigheid op 8 januari 1920 te Poperinge. Reeds in juni 1920 was de hulp ten huize en de geneeskundige dienst ingericht in het voorlopig hospitaal. De te verrichten taak was ongekend groot.
De schatting van de geleden schade in een streek waar geen spoor van het verleden terug te vinden was, het bekomen van de vonnissen, het herstel van de landerijen en bossen, het heropbouwen van de hofsteden en van al de gestichten. Wie met ons het pioniersleven meebeleefd had, herinnerde zich welke taak het was zijn eigen belangen te herinrichten. En hij zou kunnen inschatten welke financiële opoffering en genegenheid voor de armen van de personen van die besturen gevergd werd. Van al de landerijen waren er nog slechts 150 hectare bruikbaar. 250 hectare bosland werden opnieuw aangeplant, 1.800 hectare landerijen werden geëffend en vruchtbaar gemaakt. 58 hofsteden werden heropgebouwd door de Staatsdiensten, 11 hofsteden werd herbouwd door de besturen zelf, mits bekomen vonnissen. Het burgerlijk hospitaal werd, zoals het nu al gedeeltelijk bestond, door de Staat herbouwd.
Maar de tijd brak aan dat de regering, door de toenemende financiële moeilijkheden en door de begane buitensporigheden, gedwongen werd een einde te stellen aan de Staatsheropbouw. En de besturen werden verplicht hun werk voort te zetten bij middel van vonnissen. Van daar kwam een eerste en grote vertraging. Tussen 20 juli 1922 en 6 november 1925 werden 23 vonnissen uitgesproken ten bedrage van 4.521.812 frank. In 1925 werden de besturen samengesmolten. Op dit ogenblik was reeds een groot deel van het werk afgelegd. Al de landerijen waren in orde en zo was het grootste gedeelte van de inkomsten verzekerd. Drie van de Ieperse gestichten waren herbouwd, het gesticht van Loker was in opbouw, het beluik ‘De Keershof’ was in opbouw, de gebouwen van Weldadigheid waren voltooid en de plannen voor het Nazareth waren reeds aan de hogere overheid voorgelegd.
Omdat de geldcrisis voortdurend toenam, bevond de regering zich in de onmogelijkheid nog oorlogsschade te betalen. Het bestuur van de Openbare Onderstand bevond zich daardoor in een zeer gevaarlijke toestand. Van de 4.512.812 frank, bekomen bij vonnis, waren slechts – tussen 20 juli 1922 en 2 november 1925 – 1.348.041 frank betaald geworden. De Staat had ambtshalve 694.000 frank ingeschreven op het grootboek der openbare schuld en 5 % voor een bedrag van 730.000 frank afgegeven titels welke de Staat weigerde uit te keren. Alle geteisterden herinnerden zich deze droeve tijden maar al te goed. De Openbare Onderstand was toen aan het bouwen aan de huizen van de Rijselstraat, de Menenstraat, van de beluiken van Het Keershof en die van de Rijkeklarenstraat, van het gesticht van Loker. Er viel te kiezen: ofwel de werken stilleggen, met als gevolg een groot getal werklieden werkloos te stellen, ofwel om schulden te maken.
Bezield met de beste ijver voor herstel, zette het bestuur zijn werkzaamheden verder. Met als gevolg een schuld van meer dan één miljoen aan hoge intresten. Iets wat natuurlijk zeer schadelijk was voor de kas van de armen. Maar niet alleen was de Openbare Onderstand belemmerd in het uitvoeren van de aan de gang zijnde aanbestedingen, maar hij stond ook vruchteloos te wachten op tal van belangrijke vonnissen, zoals:
1. Wegens de vernieling van bomen op de hofsteden 1.062.950 frank.
2. Voor meubelen 302.666 frank
3. Voor het Sint-Elisabethgesticht, Sloetseschool, oudemannenhuis Diksmuidestraat, verscheidene beluiken, de gewezen gendarmerie, gemeentemagazijn 560.773 frank
4. Voor het krankzinnigeninstituut en hospitaal 922.068 frank.
5. Voor het gesticht te Loker 352.480 frank
6. Voor het gesticht Godtschalck te Wijtschate met hofstede 462.737 frank.
7. Voor het kasteel Godtschalck te Geluveld
8. Voor de beschadigde kunstschilderijen
9. Voor de verloren archieven.
Het was toen – tijdens de periode van minister Vandevelde – dat er voortdurend en dringende stappen ondernomen werden. Maar het enige antwoord was dat er geen geld was en indien we wilden voortdoen aan de werken dan moest er naar andere middelen uitgekeken worden. Na langdurige onderhandelingen aanvaardde het bestuur de voorstellen van het ministerie en op 8 maart 1926 werd het volgende akkoord getekend: de Belgische Staat verplichtte zich om:
1. Het hospitaal te voltooien voor een 1914-waarde van 200.000 frank.
2. Een moederhuis en een lazaret voor gevaarlijke ziekten te bouwen voor 175.000 frank.
3. Tot het afgeven van een schadeloosstelling van 12.000.000 frank onder de vorm van een inschrijving in het grootboek der openbare schuld aan 5% intresten.
De Openbare Onderstand van zijn kant engageerde zichzelf om zijn eigendommen te herbouwen en aan deze heropbouw sommen te besteden ter waarde van minstens de ontvangen intresten. Er bood zich een prachtige gelegenheid aan bij de daling van onze munt en door de grote bloei van de landbouw waren de landerijen aan ongehoorde prijzen verkocht. Het bestuur besloot een deel van zijn verspreidde stukken grond te verkopen terwijl het toch zijn domein van grote hofsteden ongeschonden kon laten. Tussen 1926 en 1930 werd zo in totaal 3.503.192 frank aan grond verkocht die verpacht was voor ongeveer 25.000 frank.
Met zijn beperkte middelen was het bestuur er in geslaagd het prachtig Nazarethgesticht te bouwen en nu bleven er nog volgende gebouwen op te trekken: het wezengesticht van jongens te Ieper, genaamd de Sloetseschool, het wezengesticht voor jongens te Wijtschate, het oudemannenhuis van de Diksmuidestraat, genaamd het Begijnhof met woonsten voor oude gezinnen.
Er bleef dus niet veel meer te doen en het uittredende bestuur verdiende de grootste lof voor zijn werking. In de moeilijkste omstandigheden waren de bestuurders er in geslaagd om de Openbare Onderstand terug te brengen in het genieten van zijn vroegere inkomsten en zelfs met 500.000 frank te vermeerderen. Ze hadden bijna het vooroorlogs kapitaal hersteld en het fortuin van de Openbare Onderstand met 12.694.800 – 3.503.194 frank of ruim negen miljoen vermeerderd. Dat resultaat was prachtig. Het bestuur was er in geslaagd om aan de armen van Ieper het fortuin terug te geven dat voor de oorlog door de Ieperse burgerij en vooral door de liberalen Merghelynck, Capron, Godtschalck, Carton en Vandenpeereboom geschonken werd.
Dit is een fragment uit Boek 1925-1945 van De Grote Kroniek van Ieper


