banner
jun 21, 2025
274 Views
Reacties uitgeschakeld voor De vrije mannen van de burgus Ipra

De vrije mannen van de burgus Ipra

Written by
banner

Diverse charters uit de eerste jaren van de 12e eeuw leerden ons toch dat er naast een burggraaf te Ipra eveneens sprake was van een villicus, een prepositus, scabini en andere lokale leiders. Het waren bewijzen dat de organisatie van de stad zich geleidelijk aan ontwikkelde. Het bestuurlijk en juridisch niveau van de diverse Vlaamse steden vormde zich stukje bij beetje. Was het dan geen legitieme veronderstelling dat de functionnarissen waarvan sprake de opvolgers waren van officieren die gelijkaardige functies hadden vervuld in de 10e en 11e eeuw? Aanvankelijk waren het alleen maar feodale officieren geweest die het schopten tot hoofdmannen van een of andere gilde en vervolgens een bestuurlijke verantwoordelijkheid opnamen in de groeiende gemeenschap van Ieper?

In het begin waren de grafelijke officieren er alleen maar geweest om de grafelijke belangen veilig te stellen en hielden ze zich maar zelden bezig met lokale kwesties en nog minder met de dagdagelijkse bestuurszaken in de steden. Andere functionnarissen of officieren dienden noodzakelijkerwijs ingezet te worden om de plaatselijke rechtspraak te verzorgen en om het lokaal bestuur waar te menen. Te Ipra diende inderdaad het behoud van de orde en het evenwicht van de sociale verhoudingen verzekerd te worden, vooral in de optiek van de uitgestrektheid van de stad en de snel groeiende bevolking tussen de 10e en 12e eeuw.

De burgus van Ipra beschikte dan naast zijn feodale officieren ook over lokale rechters en bestuurders. Hun mandaten waren nog afkomstig van de oude Germaanse organisatie die tot stand gekomen was door het in het gildeleven ontsproten verenigingsleven.
Eerst en vooral wilden we nu eens op zoek gaan naar de oorsprong van onze rechters.

Trouw aan de Germaanse tradities van hun voorouders, koloniseerden de immigranten de Saksische oever van Gallië waar ze al van in den beginne hun centena gesticht hadden. In die vergaderingen die een juridische entiteit uitmaakten, kwamen de vrije mannen samen als broeders van het primitief gildeleven. Ze vormden als het ware een soort rechtbank die voorgezeten werden door een door hun verkozen aanvoerder of princeps. Ze beoordeelden hun pairs die beschuldigd werden van misdaden of delicten.

De feodaliteit bracht wijzigingen aan in die oorspronkelijke juridische organisatie maar die verdween hoe dan ook niet helemaal. Men verving de verkozen princeps door een aanvoerder, luitenant van de graaf die door hem aangesteld was en benoemd als centenarius of honderdman. Deze honderdman was de uitvoerder van de vonnissen. Hij ontving een deel van de boeten die opgeëist waren ten gunste van de prins. Het was een eerste toenadering die bijdroeg tot het volkskarakter van de centena.

Ondertussen bleven de vrije mannen zetelen en uitspraken doen. Maar geleidelijk aan delegeerden ze hun uitspraken aan de meeste competente mannen van hun vergadering. De zorg die ze moesten besteden om hun vonnissen degelijk te omschrijven, noodzaakte eveneens die evolutie. Die schriftspecialisten herkende men aan hun titel ‘rachimburgi’, een benaming die bestemd was voor dergelijke verslaggevers die daarmee een permanent mandaat uitoefenden.
Hun invloed werd weldra dominant. Arbeiders en landlieden beschouwden hun deelname aan een rechtbank niet langer als een kostbaar recht maar meer als een pijnlijke plicht en zelfs als een zware belasting.

De verplichting dat ze pleidooien moesten bijwonen, gebeurde dan ook onder de bedreiging van een eventuele boete. Karel de Grote die in zijn tijd vermoedelijk al een antwoord wilde geven op deze centralistische tendensen, aarzelde niet om de vrije mannen vrij te stellen van deze taak. Hij gaf aan de rachimburgi juridische taken en tezelfdertijd stelde hij scabini aan en bepaalde hij dat enkel de scabini verplicht waren om deel te nemen aan de pleidooien in de vierschaar.

Een capitularium van 829 ging nog een stap verder: enkel nog de scabini, pleiters en getuigen mochten opgeroepen worden voor de vierschaar. Volgens een ander capitularium van 873 moesten de rechtbanken nog altijd samengesteld worden uit schepenen, verkozen en benoemd met de goedkeuring van de bevolking gedurende een transparante verkiezing en na een open onderzoek door de notabelen van de jurisdictie. Maar zoals historicus Vanderkindere het aangaf, waren de scabini niet langer direct verkozen door het volk, hoewel de mensen nog altijd betrokken werden bij hun verkiezing.

In het kader van hun nieuwe functie gedroegen ze zich meer en meer als rachimburgi. De omschrijving van hun vonnissen diende algemeen aanvaard te worden en dus ontpopten ze zich tot regelrechte rechters met een vrij uitgebreide bevoegdheid. Hun mandaat won daardoor ook belang.

De scabini groeiden uit tot feodale schepenen of stadsrechters toen de ontwikkeling van de steden de noodzaak aan nieuwe jurisdictie onontbeerlijk maakte. De transformatie van de primitieve juridische organisatie verliep nu vrij radicaal. Feodale rechtbanken vervingen de centena die aanvankelijk zo cruciaal waren geweest. Het was op die manier dat onze oude juridische instellingen die aanvankelijk maar geleidelijk aan wijzigden nu radicaal omgevormd werden en dat onze lokale scabini de voorgangers geweest waren van onze stedelijke schepenen die de erfgenamen waren van de scabini uit de oude en vrije centena die opgeslokt waren door de feodaliteit.

Hoewel geen enkel document daar het bewijs van leverde, was het waarschijnlijk dat Ieper al van bij zijn ontstaan beschikte over de hoofdplaats van een centena. De zetel van het oorspronkelijk schependom was volgens Vanderkindere gewoonlijk de stad die de hoofdplaats van een centena uitmaakte. Die zetel behield de stad met verloop van tijd en die ontwikkelde zich verder in een eigen schependom waardoor in het land met verloop van tijd sprake werd van een netwerk van schependommen.

Aanvankelijk was dat nog maar het geval in enkele belangrijke bevolkingscentra voordat het principe van de schepencolleges veralgemeend werd. Het was dus meer dan waarschijnlijk dat Ipra het centrum van een centena was – dan al – zoals onze lokale kroniekschrijvers beweerden – op zijn minst beschikte over enkele landarbeiders en scabini in de tijd van Karel de Goede, t.t.z. vanaf de eigenste periode waarin de rachimburgi hun juridische taken toebedeeld kregen met daarbij de titel van ‘scabini’.

Volgens Lambin was ons schepencollege in het jaar 903 samengesteld uit vijf leden en in 928 uit zeven leden. Boudewijn van Bergen zou dat aantal in 1037 definitief tot een totaal van dertien schepenen gebracht hebben. Die info was natuurlijk opnieuw gestoeld op basis van kronieken en niet authentiek bewezen of dat al dan niet correct was. We konden dus geenszins oordelen of die beweringen al dan niet correct waren. Maar een charter uit 1116 dat een belangrijk privilege schonk aan de inwoners van de stad van Ipra (‘omnibus burgensibus Ipre’) maakte melding van hun ‘scabini’.

Het bestaan van schepenen in die lang vervlogen tijden was dus een niet te ontkennen feit. En gezien deze scabini zonder twijfel de erfgenamen waren van rechters uit een verder verleden, oefenden ze dus al lange tijd hun rechterlijke taken uit.

Het was erg aannemelijk dat er in het Ipra van voor de 12e eeuw sprake was van een justitiekorps dat de opvolger was van de centena waar de plek ooit het centrum van uitgemaakt had. Maar, de origine van onze lokale bestuurders werd er niet duidelijker door. Want onze oorspronkelijke scabini waren aanvankelijk enkel belast met de rechtspraak en ze werden alleen maar benoemd door de graaf. Het toenmalig schepencollege was samengesteld uit officieren van de heer en voerde dus enkel zijn juridische taken uit zodat het niet eens nodig was om er nog een functionnaris – een baljuw – aan toe te voegen. Die baljuw, dat was de speciale afgevaardigde van de graaf.

Later zouden onze schepenen zowel rechterlijke als bestuurlijke taken uitvoeren. Maar in onze archieven vonden we voor de 13e eeuw geen enkele inlichting wanneer beide functies werden samengevoegd, hoewel er al heel lang voor die tijd toch al een bestuur moest zijn in Ipra. Het belang van de stad vanaf de 11e eeuw liet daaromtrent niet de minste twijfel bestaan. Ieper was al lang geen bescheiden stadje meer toen Boudewijn van Bergen rond 1067 in de voetsporen van Boudewijn van Rijsel trad.

Zijn inwoners werden dan al onderhavig aan lokale gebruiken. De preambule van onze keure van 1171 gaf trouwens duidelijk aan dat deze gebruiken al van onheugelijke tijden bestonden en dus zeker meer van honderd jaar in gebruik. Het was natuurlijk wel de vraag welke gebruiken er dan wel in voege waren in de 11e eeuw. Toen al exploiteerden de inwoners van de stad – ‘burgenses’ – als medegebruikers een gemeenschappelijke grond, genaamd ‘Upstal’. Het betrof een terrein dat buiten de latere Boterpoort lag.

De nijverheid, vooral dan de lakennijverheid en vervolgens de handel kwamen tot ontwikkeling wat ook duidelijk was in het charter van 1166 dat het had over de uitzondering of kortingen op de tolrechten op de waterwegen. Filip van de Elzas verklaarde dat hij zich beperkte tot het bevestigen van de oude privileges. De uitbreiding van de commerciële relaties tijdens de daaropvolgende eeuw was ongetwijfeld gestimuleerd door dit charter en de bevestiging van de dan al oude privileges van 1166.

In een dergelijke bevolkingsconcentratie was het noodzakelijk om een bestuurlijke autoriteit aan te stellen, vooral dan vanuit het oogpunt van de sterk stijgende handel en nijverheid. Het was niet moeilijk om daarin de oorsprong en het ontstaan van onze lokale bestuurders te vinden. Al lange tijd voor de geboorte van de steden, trof men volgens de beste historici in onze leefgemeenschappen en zelfs in de dorpen al een lokale bestuurder aan waarvan de functienaam verschilde van plaats tot plaats. De taken van die bestuurders waren velerlei.

Hij werkte alleen of werd hier en daar geholpen door raadsleden. Hij diende de orde en de vrede te laten bewaren in de agglomeratie. In de nijverheidscentra waren het ‘choremanni’ die toezicht uitoefenden of de bestaande regels en gebruiken nageleefd werden. Iets wat ook het geval was bij de organisatie van het werk, de rechten, plichten van de arbeiders en hun houding t.o.v. hun meesters. De aanvoerder of de bestuurder van de bevolkingskern droeg de titel van ‘major’, ‘prepositus’, ‘bouermeiser’ of ‘villicus’. Zijn raadsleden stonden bekend als ‘jurati’ of ‘choremanni’ en later als ‘conseaus’ of ‘raden’. Zo dienden ze als eerste lokale bestuurders van de burgus van Ipra.

Dit is een fragment uit Boek 0000-1289 van De Grote Kroniek van Ieper

 

Article Categories:
0000-1289
banner