Begin 1327. Vijf jaar na de dood van Robrecht van Bethune lagen zijn juwelen nog altijd opgeslagen in het belfort. De toewijding van de Ieperlingen voor hun prinsen – de graven van Vlaanderen – was alom bekend en gekend door de historici. De traditie wilde dat de naam van ‘De Kinderen van Ieper’ aan onze voorouders geschonken werd door Margareta van Constantinopel, als zijnde een getuigenis van haar dank omwille van de aanzienlijke som geld die de Ieperlingen geschonken hadden om haar echtgenoot Willem van Dampierre vrij te kopen.
Die zat immers samen met koning Lodewijk gevangen in Egypte. Onze chroniqueurs verhaalden dat de gravin van Vlaanderen – Margareta van Constantinopel – in 1250 naar Ieper gekomen was met het triest nieuws dat haar echtgenoot Willem van Dampierre, zijn zoon Gwijde en de koning van Frankrijk gevangengenomen waren door de sultan van Babylonië, tijdens de veldslag van Damiette en dat de sultan hen enkel op vrije voeten wilde stellen tegen de betaling van een rantsoen van 8.000 Byzantijnse munten.
De gravin slaagde er in om de Ieperlingen met haar schoonheid en welsprekendheid zodanig te ontroeren dat ze bereid waren om die hele som bijeen te harken. Margareta beloofde van haar kant dat ze hen voor altijd zou beschermen alsof ze haar eigen kinderen waren. Op 30 november 1250 was graaf Willem van Dampierre gearriveerd in Ieper, in het gezelschap van zijn twee zonen en meerdere andere heren. Ze kwamen allen van het heilig land en waren dus dankzij de Ieperse burgers vrijgekomen.
Een groots banket bracht de elite van de stad samen en tijdens deze maaltijd vroeg Willem van Dampierre aan zijn vrouw de gravin wie haar die grote som had voorgeschoten en daarop had ze met luide en welluidende stem geantwoord dat dit haar liefste Ieperse kinderen waren geweest.
Maar hoe vriendelijk deze anekdote uit de Ieperse geschiedenis ook wel mocht zijn, toch bevatte deze historie heel wat onwaarheden. Wat onze chroniqueur ook mocht geschreven hebben, moest er wel opgemerkt worden dat Willem van Dampierre nooit graaf van Vlaanderen was geweest en al evenmin gevangene in het heilig land. De man stierf op 3 september 1241 en kon dus onmogelijk in Ieper geweest zijn in 1250. En ook zijn vrouw de gravin kon die vraag om betaling van dat rantsoen nooit gesteld hebben, toch in de vaststelling dat ze vier jaar na zijn dood de titel van gravin doorgegeven had aan haar zuster Johanna van Constantinopel. Het was niet de man maar wel degelijk Willem van Dampierre (junior), de zoon van Margareta die samen met graaf Lodewijk gevangene was in Egypte.
Was het dan Willem van Dampierre junior die in 1250 toegekomen was in Ieper in het gezelschap van zijn twee zonen? In die tijd was hij nog getrouwd met Beatrix, de dochter van de hertog van Brabant bij wie hij nooit kinderen had gekregen en het graafschap Vlaanderen daardoor was overgegaan in de handen van zijn broer Gwijde van Dampierre. Maar ook die bewering lag moeilijk. Bij zijn terugkeer van het heilig land was Willem van Dampierre uitgenodigd geweest op een riddertornooi in Trazegnies te Henegouwen waar hij vermoord werd en vertrappeld onder de voeten van de paarden.
Een moord die door de geschiedschrijvers in de schoenen van de Avesnes werd geschoven. Wat bleef er dus nog over van dit Ieperse verhaal? Het was gewoonweg een nieuw bewijs dat de schrijfbereidheid, inspiratie en overdrijvingen van de chroniqueurs vaak tot absurde verhalen geleid hadden. Mochten we daaruit besluiten dat de Ieperlingen niet betaald hadden voor het rantsoen van hun graaf? Helemaal niet!
Er bestond niet de minste twijfel dat Ieper, net zoals de andere steden van Vlaanderen bijgedragen had om het losgeld bijeen te krijgen. Als er al in de Ieperse archieven geen verwijzing was naar de fameuze bijdragen, werd er in heel wat geschriften aangegeven hoe vaak Ieper voorschotten had moeten geven aan de Dampierres. Het betrof leningen toegestaan door onze schepenen aan de graven van Vlaanderen om hen tegemoet te komen in tijden van nood. Zo stond dat bijvoorbeeld vermeld in een akte van Gwijde van Dampierre uit 1281 die ons kon leren dat zijn goede vrienden de schepenen van Ieper hem een lening van 5.368 Vlaamse ponden hadden gegeven om hem uit de grootste nood te helpen. In dat document beloofde hij om het geld terug te betalen voor Allerheiligen 1281.
Op een uitgavenstaat van de stad zag men in 1288 de naam van graaf Gwijde van Dampierre verschijnen i.v.m. een lening van 4.300 ponden die de schepenen betaald hadden aan zijn bankiers Robert & Baude Crespin van Arras die in die tijden golden als de Rothschilds van hun tijd. Op diezelfde uitgavenstaat figureerde eveneens de naam van Boudewijn van Avesnes als ontlener van 500 ponden en zelfs de naam van Filips de Schone – de koning van Frankrijk had 5.000 ponden geleend van de Ieperse schepenen. De ongelukkige graaf Gwijde van Dampierre zat vaak in de financiële problemen om zijn geldschieters terug te betalen. Hij moest maar al te vaak beroep doen bij de Crepins van Arras en als hij dan zijn engagementen niet kon nakomen, moest hij zich dan noodgedwongen richten tot zijn goede vrienden, de schepenen van Ieper.
Dat was ook al het geval in 1296 toen Ieper nogmaals 5.000 Artesische ponden overhandigde aan Crespin. Geld dat Dampierre verschuldigd was als laatste afbetaling van een lening van 20.000 Artesische ponden. In de loop van dat ongelukkig jaar 1296 had Gwijde ten gevolge van zijn onderhandelingen om zijn dochter te laten trouwen met de koning van Engeland beloofd om hem een grote som geld als bruidsschat over te maken. Hij ging natuurlijk nog maar eens te rade bij de Ieperse schepenen voor een lening van 10.000 Vlaamse ponden. Maar aangezien deze schenking moest gebeuren op Engels grondgebied – hetzij in geld, hetzij in goederen – stelde de graaf zich borg tot dat dat geld ter plekke zou zijn.
Deze ongelukkige graaf stierf in gevangenschap in Pontoise in het jaar 1304 op een leeftijd van tachtig jaar. Maar ook tijdens de daaropvolgende oorlogen moest ook zijn zoon beroep blijven doen op de Ieperlingen. Dat was ook het geval in 1302 toen Jan van Vlaanderen, de graaf van Namen – de oudste zoon uit het tweede bed van Gwijde – erkende dat hij de som van 430 Parijse ponden schuldig was aan zijn beste vrienden, de schepenen van Ieper. Dat geld werd betaald aan Jacques Fiere, Lambrecht Belle en Lambrecht Morin om de drie paarden te betalen die ze gekocht hadden.
Robrecht van Bethune was zijn vader opgevolgd als graaf van Vlaanderen en hij moest herhaalde keren financiële hulp gaan vragen aan de schepenen. Die konden uiteindelijk niet langer akkoord gaan met een simpele belofte dat hij het geld zou terugbetalen maar ze eisten nu waarborgen hiervoor. In maart 1317 erkende Robrecht van Bethune dat de schepenen hem vijf leningen hadden toegestaan, meer bepaald 400 pond, 620 pond, 52 gouden denieren, 2.000 Parijse ponden en 1.600 Parijse ponden. De graaf engageerde zich om de leningen op de gevraagde termijn terug te betalen en als waarborgen bracht hij zijn bossen en terreinen van Nieppe in.
Er waren amper twee jaar voorbijgegaan toen nieuwe financiële perikelen graaf Robrecht ertoe dwongen om opnieuw zijn soelaas te zoeken bij zijn goede Ieperse vrienden. In 1319 stonden ze hem nogmaals een lening toe van 1.580 Parijse ponden met als waarborg de ornamenten en juwelen van zijn kapel die in een lange lijst opgesomd waren en bewaard gebleven waren in de Ieperse archiefkamer. In de loop van ditzelfde jaar – in de winter – schonken de Ieperse schepenen al die juwelen terug aan de graaf en leenden ze hem nogmaals 1.480 ponden die ze nu om onbekende redenen samen met dat eerste bedrag en nu zonder onderpand ter beschikking stelden.
Vermoedelijk zou Robrecht van Bethune tijdens zijn leven nooit meer zijn schulden aan Ieper terugbetalen, want op de rekening van de stad stond zelfs na zijn dood in 1322 nog een saldo van 1.000 ponden als openstaande schuld. En diezelfde rekeningen leerden ons dat er nog een nieuwe lening van 1.200 ponden was afgesloten met opnieuw de bewuste juwelen als onderpand. Robrecht van Bethune stierf op 17 september 1322 en werd begraven in de Sint-Maartenskerk. Meer dan vijf jaar na zijn dood lagen die juwelen dus nu nog altijd opgeslagen in het belfort.
Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van de Grote Kroniek van Ieper


