In 1319 noopten nieuwe financiële zorgen de graaf tot een nieuwe lening van 1.580 ponden. De solvabiliteit van de arme graaf stond sterk ter discussie. Onze schepenen en bestuurders wilden voorzichtig blijven en vertrouwden maar weinig op zijn beloften tot terugbetaling, en dus eisten ze grafelijke toezeggingen.
De prins gaf hen al in 1316 als onderpand van de geleende sommen alle inkomsten van de bossen en de landerijen van Nieppe en vervolgens in 1319 zijn juwelen en alle versieringen van zijn kapel. Deze kostbare objecten werden zoals gebruikelijk overgebracht naar de tresorie. Onze magistraten, ongetwijfeld vervuld van medelijden, beslisten datzelfde jaar om de juwelen terug te geven aan hun heer en verleenden hem op zijn verzoek nogmaals een nieuwe lening van 3.000 ponden.
Het was dankzij de inzet van de Ieperse ambachtslieden dat onze schepenen er in slaagden om zich door deze bewogen periode te slepen en vanuit de tresorie de nodige sommen aan te wenden om te voldoen aan de dringendste noden van de stad en om dus regelmatig ter hulp te snellen van hun heer.
Tijdens de zeldzame momenten van rust tussen korte wapenstilstanden in hield Robrecht van Bethune zich bezig om orde te scheppen in het bestuur van zijn graafschap en dat van de steden. Hij deed pogingen om de handel en de nijverheid van Ieper nieuw leven in te blazen. Robrecht woonde zoals gezegd vaak in zijn landhuis te Ieper en telkenmale haastten onze ambachtslieden zich na elke ‘wapening’ om hun wapens neer te leggen en terug aan het werk te schieten.
Teneinde de organisatie van de ambachten te verbeteren, wijzigde men hun oude keuren en men publiceerde er in 1309 nieuwe voor de lakennijverheid. Dat was ook het geval voor de stamforten (1308 en 1309), de scheerders (1308), de ververs (1307) en ook de volgende jaren zouden er verscheidene nieuwe keuren tot stand komen.
Van zijn kant nam de graaf diverse maatregelen met als doel de commerciële relaties van de Ieperlingen te ontwikkelen door het transport van de voedingsmiddelen te vereenvoudigen en vooral dat van de Engelse wol richting Ieper. Hij gaf in 1311 de toelating aan onze schepenen om de IJzer uit te diepen en er naast deze rivier een lateraal kanaal aan te leggen, de zogenaamde ‘zijlink’.
Op die manier konden de kleine barken of schuiten in Ieper zelfs wijnen, graan, vis, wol, linnen, enz. laden en ontladen. Het was in die tijd dat volgens ons de kaai of de haven van de Ieperlee gegraven of uitgediept werd op de kleine Leet, rechtover de Sint-Maartenskerk. In 1312 werd de vrijstelling van elk tolrecht dat al van in onheugelijke tijden bestond voor wat betrof het vervoer van de handelswaren tussen Waasten en hun stad verlengd en onderhouden door de graaf. En dat ondanks het voorbehoud dat gemaakt werd door de abdis van Mesen.
In het jaar 1319 liet de graaf ook de brug van Steenstrate heraanleggen. De nieuwe zijlink zou afgewerkt worden in 1320. Graaf Robrecht van Bethune vaardigde Chrétien De Visch af om de vaarrechten op dit kanaal te regelen teneinde onze stad te vergoeden voor de uitgaven die men gedaan had voor de graafwerken van deze waterweg. En uiteindelijk zou diezelfde graaf er in 1321 mee instemmen dat onze schepenen een tolboom konden plaatsen in de buurt van Sint-Elooi, aan de splitsing van de wegen van Wervik en Mesen richting Ieper.
Meerdere van die maatregelen droegen er toe bij om de financiële toestand van onze stad op te krikken. Andere van zijn beslissingen oefenden een belangrijke invloed uit op de organisatie van de ambachtskorpsen. De lakennijverheid leefde dan al opnieuw op en zorgde weer voor meer welvaart. De wisselende hoeveelheid loodjes die onze schepenen lieten vervaardigen om de in Ieper geproduceerde wapens te labelen – te looien – toonde de handelsschommelingen tijdens de regering van Robrecht van Bethune.
De Iepers lakenhandelaars breidden dan ook hun handelsrelaties uit, en dan voornamelijk in Frankrijk. Ze verkochten grote hoeveelheden lakens in Arras en vooral tijdens de jaarmarkten van Champagne en Brie. De aanzienlijke export ervan gebeurde via Bapaume waar ze konden genieten van een tolrecht. De Franse koning begunstigde die uitvoer. Hij ondernam pogingen om de Ieperse handelaars en hun goederen aan te trekken in zijn koninkrijk.
Tussen 1309 en 1311 stond hij aan onze handelaars waarborgen toe voor extra zekerheid voor hun personen en goederen en hij zorgde er telkens voor dat eventuele conflicten niet in het nadeel van onze handelaars werden afgehandeld. Op die manier – zelfs tijdens die trieste periode van onze geschiedenis – slaagden onze naarstige en werkzame ambachtslieden er met hun lakennijverheid in om de stad zijn fenomenale welvaart terug te geven, een voorspoed waar ze tijdens de vorige eeuw zo van genoten hadden. Deze weliswaar tijdelijke toestand oefende een weldoende invloed uit op onze stad en zijn ambachtsgilden.
De financiële bronnen en het materieel welzijn van onze ambachtslieden verbeterden dus van dag tot dag. Het was natuurlijk ook de vraag of onze arbeiderscorporaties er tijdens de regering van Robrecht van Bethune in slaagden om nieuwe politieke veroveringen binnen te rijven. We hadden gezien dat onze schepenen in 1307 ertoe verplicht werden om zich neer te leggen bij het verdrag van Athis-sur-Orge.
In april 1309 vond Filips de Schone het nodig om dat verdrag te laten bevestigen. Hij beperkte zich daarbij niet tot zijn eis dat graaf Robrecht van Bethune en de steden hun eed moesten afleggen, maar hij forceerde de ‘vrije beroepen’ van Ieper en van de andere Vlaamse steden om op het heilig evangelie te zweren dat ze zich aan dat bewust verdrag zouden houden.
Onder welke noemer – welke paraplu – werden onze ambachten opgeroepen om deze vrede te respecteren? Welke waren dan die ‘vrije beroepen’ van Ieper? En welke plaats bezetten ze in het bestuur van de stad? De brieven van 1309 bezorgden ons geen enkele zinnige informatie die ons toeliet om op die vragen te antwoorden. En we hadden in andere documenten van die tijd niets kunnen lezen dat aangaf dat de voorrechten en de bestuurlijke rechten van onze Ieperse ambachtslieden al uitgebreid waren sinds 1305.
We konden hoe dan ook concluderen dat de politieke invloed van onze ambachtsgilden onder het bestuur van graaf Robrecht aanzienlijk was en dat ze over een grote macht beschikten. Moesten onze arbeidersgilden verschrompeld geweest zijn tot compleet onmachtig, zou de Franse koning hen dan gevraagd hebben om hun plechtige eed af te leggen met betrekking tot internationale relaties?
Als onze ambachtsgilden inderdaad aan de ketting gelegd waren, was het dan nog nodig om hen dan nog tot een nieuwe eedaflegging te verplichten? En als de hoofdmannen van onze gilden op hetzelfde tijdstip als de afgevaardigden van de stad officieel gevraagd werden om de vrede te onderhouden, was dat dan niet omdat de aanvoerders van onze gilden niet langer vreemd geweest waren in de richting waar het bestuurlijk en politiek systeem van de Ieperse gemeenschap naartoe ging?
Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van De Grote Kroniek van Ieper


