De modder van Vlaanderen en de drassige poelen die in de weg lagen, die nachten van duisternis en regen in zijn moerassen, dat waren de echte verschrikkingen die onze mannen vandaag dienden te overwinnen. Toch waren ze allemaal overtuigd geweest van hun lot vandaag, ze wilden elkaar met hand en tand bijstaan, met hun verbazingwekkende moed om de grond te veroveren zoals hen dat opgedragen was. Drie dagen geleden hadden de mannen van de Lancashires en de Yorkshires na hun ongelooflijke elfurenmars onder elkaar gezworen om het werk hier af te ronden.
Ze waren toen niet zo ver geraakt als gehoopt, maar toch hadden ze zaken gerealiseerd die men van mannen in dergelijke condities niet had mogen verwachten. De jongens die nu vandaag op hun startlijn stonden voor de opmars naar Passendale hadden dat ongetwijfeld te danken aan hun kameraden van het noorden van Engeland. De Nieuw-Zeelanders die de overtocht zouden uitvoeren zwoeren dat ze met een beetje geluk – en zelfs zonder geluk – daar in Passendale hun vlag zouden planten. Onder die mannen smeulde een grimmig vuur dat maar weinig goeds voorspelde voor de vijand die het tegen hen zou moeten opnemen.
Hier was geen sprake van ijdele retoriek om wat extra kleur te geven aan het duister beeld van deze oorlog, maar wel van een sobere waarheid van wat gisteren geleefd had in de hoofden van die Nieuw-Zeelanders die maar al te klaar waren voor deze nieuwe veldslag. Het bleek bijzonder moeilijk om onze manschappen op hun plaatsen te positioneren in de buurt van de aanvalslijn.
Dat had natuurlijk te maken met het vuil karakter van de grond. Diegenen die al sinds gisterennacht op hun posities hadden gelegen (sinds woensdagnacht) wisten al dat het overdag niet bepaald comfortabel geweest was in deze verzopen velden. Met het nodige lef en dankzij de inspanningen van de dragers en de transportofficieren die hun leven in de weegschaal legden, konden we toch ons bivak opslaan.
Dit was gebeurd in een volslagen duisternis en net voor de neus van de vijand zodat onze mannen niet het minste gerucht hadden mogen maken in deze gietende regen en net voor zonsopgang werden ze er weer teruggehaald om hun constructies niet bloot te geven aan de Duitsers. De vuurlinies beschikten nu over voedsel en warme dranken en een deel van de kou en verschrikking van de nacht werden wat verlicht.
Er was een duidelijke lijn vooropgesteld met de specifieke zone waar onze kanonniers vanochtend hun spervuur zouden moeten op richten. Sommige van onze troepen waren nog altijd onderweg en hun jongens moesten zich al even langdurig door de nacht worstelen als de Lancashires drie nachten geleden.
Hun avontuur zou even hachelijk verlopen. Ook zij zouden in de granaatkraters struikelen, blind hun weg moeten zoeken door deze woeste regenval, elkaar door de modder sleuren, spartelen door slijk en granaatvuur. Van 17u gisterenavond tot amper enkele minuten voor de aanval op Passendale van start zou gaan. De vijand hield zich intussen onledig met het afschieten van zijn mitrailleurs en kanonnen om elk van onze mannen die zich ook maar durfde te verroeren aan te pakken. Over Zonnebeke schoten ze een hevig spervuur af en het was maar met een ferme portie geluk dat ze een groep van onze jongens daar in de buurt gemist hadden.
De Duitse explosieven teisterden een brede zone, altijd maar meer granaten die huilend door de duisternis naar beneden druisten en telkens tot ontploffing kwamen met hele gordijnen van opspattende natte aarde. Kleine groepjes van onze jongens probeerden de explosieven zo goed als mogelijk te ontwijken en verborgen zich in de granaatkraters die soms anderhalve meter diep met water stonden en een dreigend risico voor een onmiddellijke dood met zich meedroegen. En dan kwamen de gasgranaten er jankend aan, met hun kleine zonderlinge puffen helemaal anders dan die van de gewone granaten.
De natte wind stak vol giftige dampen die pijn deden aan de ogen en de huid zodat onze mannen hun gasmaskers dienden op te zetten en op die manier door deze ergste duisternis moesten waden. Deze toestanden en de weg die moest gegaan worden zouden voor de meeste soldaten zenuwslopend zijn en hen met een ziekelijke angst overmannen. Maar hier maakten deze omstandigheden de Nieuw-Zeelanders net kwaad, zo kwaad dat ze dreigden in een blinde woede los te barsten. ‘Naar de hel met hen’, hoorde ik sommigen zeggen, ‘we zullen hen niet sparen als we straks over hen heen lopen, we zullen ze laten betalen voor wat ze vannacht allemaal uitspoken’.
Ze spraken wilde en vlammende woorden uit, vervloekten de vijand en het weer, de storm van granaten en de waanzin van dat allemaal. Ik kende de toestand van het terrein want ik had vanochtend zelf door dit kraterland geploeterd om het vuur van geschut te komen gadeslaan daar onderaan de heuvel van Passendale. Ik moest natuurlijk niet die zware kit dragen zoals de vechtende mannen, maar was over de vettige balken gestruikeld net zoals zij dat zouden doen. Ik was in het slijm gedonderd net zoals zij zouden meemaken.
De regen leek wel tattoos te slaan op mijn stalen helm. Elke bomput stond boordevol bruingroen water, het vocht van de bodem rees uit de aarde in een soort mist. En door die mist schoten onze kanonnen her en der, resulterend in scherpe kleine zwaarden van vuur die opspatten uit de duisternis terwijl over al de slagvelden het geluid van deze kanonnen maar bleef bulderen. Ik stapte door de posities van onze batterijen, liep achteraan de enorme houwitserkanonnen die met hun ontploffingen op een afstand van twintig meter nog altijd de beenderen van een mensengestel door elkaar schudden.
Voorbij lange kanonlopen die aan hoge snelheden mortieren afschoten, waarvan elk exemplaar na een eerste scherpe hamerslag met een boodschap van de dood wegfladderde om terecht te komen achter de zone van de 230-ers, monsters die springstoffen lieten exploderen in hele wolken van gele rook. Voor mij – langs de buitenomgeving van het Houthulstbos – zag ik daar groot, duister en sinister, met zijn dichtgroeiende bomen de heuvel van Passendale liggen, zijn lange opgaande hellingen voor wie onze mannen moesten strijden.
Ons spervuur kroop nu op zijn talud, een demonisch granaatvuur dat in steile witte kolommen opsteeg lag over de heuveltop en verborg de vernielde huizen uit het zicht, tot het later die ochtend wat ophield met regenen, strepen blauw aan de lucht verschenen en Passendale opnieuw vanuit de natte somberheid verscheen.
Zijn huizen stond vaak nog recht hoewel ze allemaal al vernield waren. Wat een zonderlinge effecten kreeg ik toch te zien toen de zon even door de wolk brak. Zijn stralen liepen tot beneden de natte boomstammen en de gevorkte naakte takken van de dode bomen, met een vreemd aandoende en oogverblindende witheid. Alle moerassen glansden nu in het licht van hun bevuilde wateren. De beladen muilezels zochten hun weg door de sporen, glibberend en wankelend door de blubber met op hun ruggen telkens aan weerszijden vier goudkleurige staven toen de zon hun 9 kilo-granaten bescheen.
Er stak nog iets extra afschuwelijk in deze vloed van wit licht over deze dode grond van de slagvelden die de puinhoop van het menselijk conflict daar in de buurt van de veroverde Duitse pillendozen onthulde. Tot alles zich weer verstopte onder het zwarte stormwolkendek. Het was vanuit die kant van deze pillendozen dat ik de voortgang van ons spervuur op de heuvel van Passendale begluurd had.
Ik kon gebruikmaken van het vuur en het Duitse kanonnenantwoord met hun zwartere granaatexplosies waardoor ik de progressie van onze mannen kon gadeslaan. Een officier die over de balken aangestapt kwam vanuit de kanten van Poelkapelle vroeg hoe het hier lukte. Ik gaf aan dat dat zeker redelijk ging en dat we al vier Bosch-kanonnen hadden uitgeschakeld met ons spervuur, hoewel we wel nog een eind te gaan hadden aan onze linkerkant.
Het leek er inderdaad op dat onze jongens het niet gemakkelijk kregen daar links waar ze te maken kregen met een afzichtelijk geschut van de machinegeweren. Rechts gingen de zaken wat beter, onze linies waren al tot dicht bij Passendale gevorderd, nog enkele honderden meter te gaan. Hier en daar kwamen krijgsgevangenen naar beneden. Er was sprake geweest van tal van bajonetgevechten en heel wat afslachten.
De gewonde mannen keerden al op hun stappen terug, de meesten van hen met mitrailleurverwondingen. De slechtsten met kwetsuren veroorzaakt door granaatscherven. De Nieuw-Zeelanders waren nog maar amper gestart met hun offensief toen de Duitse vuurpijlen hun kanonnen al tot de actie aanspoorden.
Het duurde nog even voor de geweren ook aan hun repliek zouden beginnen, maar plots ontstond dan het ratelende geschut van ontelbare machinegeweren. En vanuit plaatsen boven de spoorweg Ieper-Roeselare en over de hele lengte van de Goudberg van Passendale waar het bulkte van de bunkers en de betonnen straten, verscheen nu een alles verzengende kogelstorm.
Dit is een fragment uit Boek 1916-1917 van De Grote Kroniek van Ieper


