Zondag 23 september 1917. Het enthousiasme van de troepen die op donderdag 20 september gevochten hadden in de strijd om de Menenstraat was een duidelijk bewijs dat ze die ochtend succes geboekt hadden en dat zonder al te grote menselijke verliezen die hoe dan ook een duistere schim zouden werpen op elke overwinning. Al de mannen die ik sindsdien ontmoet had, vertelden over de immense verliezen aan Duitse kant. Het dodental was nog meegevallen tijdens de eerste aanvallen toen ze met kleine garnizoenen gesneuveld waren in hun bunkers, maar de verliezen kreeg de vijand natuurlijk aangesmeerd tijdens zijn talrijke tegenaanvallen.
Ik had al enkele van die tegenaanvallen besproken die ze ondernomen nog tijdens de namiddag van 20 september. Eergisteren en gisteren 21 en 22 september hadden de Duitsers die inspanningen herhaald met zelfs nog meer rampzalige resultaten voor hun ongelukkige troepen. Gisterenmiddag – zaterdag – voerden ze een nieuw regiment aan met motorbussen tot bij een punt achter de linies van waaruit ze een nieuwe tegenaanval moesten plaatsen tegen onze posities in het Polygoonbos. Het betrof drie bataljons die zich langs de kant van de weg klaarmaakten en al snel opgemerkt waren door onze observatieposten.
Onze artillerie zorgde er meteen voor dat die weg veranderde in een vuurbaan waar ze de vijandelijke soldaten troffen en uit elkaar lieten stuiven. Hun bizarre eenheden probeerden nu via andere paden toch hun weg vooruit te zoeken maar liepen vervolgens verloren in een chaos van bomkraters terwijl er altijd maar opnieuw nieuwe granaten rond hen om nieuwe dood en extra vernielingen zorgden. Eigenlijk kon ik niet beweren dat ze nog bataljons of eenheden vormden. Ik mocht het eerder hebben over een verzameling van door paniek geteisterde individuele soldaten die beschutting zochten in de putten en niet moesten rekenen op enige leiding of commando.
Een van hun officieren verzamelde vijftig van die sukkelaars en liet ze terugtrekken om zich te reorganiseren. Hij had niet de minste notie van wat er gebeurde met de rest van zijn regiment, buiten dat het gebroken was en allerminst effectief in deze wilde verwarring van kratergrond. Ze trokken nu nogmaals op verkenning en liepen recht op een eenheid van de Australiërs af die hen meteen krijgsgevangen nam. Een gelijkaardige gebeurtenis speelde zich af met een colonne in Zandvoorde. Een van onze luchtverkenners had er op de weg een lange sliert van marcherende Duitsers opgemerkt en hij stuurde een bericht naar de batterijen. Het waren de zware kanonnen die hun doelwitten opgespoord hadden met hun 230-ers en met hun 305-ers die monsterachtig en vernietigend waren.
Daar in Zandvoorde moest het de hel geweest zijn. We hadden er het raden naar hoeveel mannen hier in flarden gescheurd werden en het beeld van de gedachte hoe het er moest uitgezien hebben was nu eenmaal geen beeld dat men lang op zijn netvlies kon verdragen. Een bloederige puinhoop. Laat op die dag kwam langs de Menenstraat een andere colonne van marcherende Duitsers aan. Het waren mannen van de 16e Beierse Divisie die in alle urgentie naar hier waren gestuurd. Zonder enige terreinkennis, zonder landkaarten en met officieren die niet leken te beschikken over enige instructies, buiten het bevel dat ze hun mannen hoe en waar dan ook in de aanval moesten zenden.
Over hun hoofden – in de duisternis van de sterrenhemel – vloog een Brits vliegtuig met een bom van het zwaarste kaliber. Toen onze piloot deze vijandelijke troepen zag aankomen, scheerde hij als een grote zwarte vleermuis over hun hoofden en liet hij zijn vreselijk projectiel neerploffen op de kop van de colonne. De bom kwam met een doofmakend gebrul neer en vernielde de leidende eenheid. In datzelfde luchtruim vlogen nog tal van andere Britse nachtraven rond die ook al op hun beurt deze Duitsers viseerden met hun explosieven. En ze werden daarbij dan nog eens geholpen door onze kanonnen die met ik weet niet hoeveel rondjes granaten trakteerden en daar aan de Menenstraat de puntjes op de ‘i’ zetten.
Met die roofvogels boven hun hoofden moesten die Beieren de zwaarst mogelijke gruwel beleefd hebben. Ze zouden nooit in de buurt van onze linies arriveren, laat staan er nog een tegenaanval lanceren. Geen enkele van de Duitse tegenaanvallen had ooit onze linies in het Polygoonbos bereikt, nochtans de sector die het meest gegeerd was door de vijand. Ze hadden nog even kennis kunnen maken met onze Australische jongens en met het staal van hun bajonetten om vervolgens verzwolgen te worden in deze furie van granaten die het bos en het terrein veranderd hadden in een zee van vuur en rook. Een van onze jongens zei het vanochtend nog.
Hoe hier ook maar één sterfelijk menselijk wezen had kunnen wegraken mocht een wonder geheten worden. Meer geluk kon een mens nooit hebben. Ik had vandaag nog veel van die Australische gabbers gezien. Ze hadden zich nog niet gewassen, het vuil van de strijd koekte nog aan hun lijven en hun geesten stonden nog altijd in vuur en vlam door de emoties van dit verbazingwekkend avontuur. Sommigen van hen waren er alleen maar uit ontsnapt door een enorme portie geluk. Een brancardier getuigde van een van zijn collega’s, een kleine dikkerd met een ongeschoren kin en een vrolijke lach die stomverbaasd was geweest dat hij nog in leven was.
Hij was dag en nacht in de weer geweest met het aanleggen van verbanden bij gewonden en met het terugdragen van makkers naar de verbandplaats, anderhalve kilometer heen en terug. De hele tijd lang had hij gewerkt en gestapt terwijl om zich heen de granaten maar bleven ontploffen. De projectielen hadden verscheidene van zijn vrienden neergeslagen maar hemzelf ongemoeid gelaten. Toen hij zijn gewonden aan het dragen was, werden er twee of drie gedood en hijzelf liep geen schram op. Ze hadden dug-outs in de lucht laten vliegen net nadat hij er vertrokken was, of loopgraven waar hij net voorbijgelopen was.
De brancardier werd begraven door opvliegende aarde van granaatexplosies en hoe vaak was hij niet in de diepste kraters getuimeld terwijl overal in het rond soldaten sneuvelden. Maar vandaag bezat hij nog altijd zijn guitige glimlach waarin verbazing sprak omwille van zijn miraculeuze ontsnappingen. Een Australische officier die al de Dardanellen, de Somme en Bullecourt op zijn teller had staan, een tengere kleine Australiër met een fijnzinnig gladgeschoren en wat ernstig kijkend gezicht en glinsterende ogen was bezig geweest met het deponeren van een gewonde jongen op zijn brancard toen een granaat hen vond en de jongen ter plekke doodde en de officier ongedeerd liet, zonder de minste schram.
Dit is een fragment uit Boek 1916-1917 van De Grote Kroniek van Ieper


