banner
aug 10, 2025
104 Views
Reacties uitgeschakeld voor Pappeloete

Pappeloete

Written by
banner

Begin augustus 1919. Vader had beloofd dat we samen naar Ieper zouden gaan tijdens de Tuindagweek. Begin augustus gingen vader, mijn zuster, mijn oudere broer Arthur en ikzelf (Karel Cornillie) op weg. We reden met de trein tot Menen, dan met de tram naar Geluwe. Voorbij dit dorp stopte de tram te midden de velden, niet ver van Kruiseke. Iedereen stapte uit en we gingen te voet verder richting Ieper. We hadden in Geluwe al een voorsmaakje gekregen van de verwoesting. Toen we echter in Kruiseke uitgestapt waren, bevonden we ons in een woestijn. Rechts en links van de straatweg ontvouwde zich een glooiende vlakte, een onmetelijk distelveld zo ver als het oog reikte. Op zeldzame plaatsen stak een geraamte van een boerderij er bovenuit. Waar geen distels groeiden, was het weiland doorploegd met granaattrechters.

Langs de weg zelf zagen we hier en daar een skelet van een boom, soms een stomp ervan met versplinterde kop, of een hoop stenen … de resten van een huis. Het was warm. De zon brandde op onze ruggen en nergens was er een spiertje schaduw te vangen. De weg klom en daalde eindeloos. Waar de weg hoger lag dan het aanpalende land hadden de Duitsers de weg ondergraven en er schuilplaatsen ingebouwd, versterkt met mijnhout. We kwamen aan de klim van Geluveld. Bovenop de hoogte lag het dorp. Op de voormalige dorpsplaats stond een bordje met de naam van de in puin liggende gemeente die hier en daar met spichtig gras begroeid was. Geluveld was van de kaart geveegd en men zou er voorbijgelopen zijn zonder de plaats te merken.

Voorbij Geluveld lagen de bomtrechters nog talrijker uitgezaaid. We kwamen aan de Zandberg. Rechts van de weg ontplooide zich een verschrikkelijk landschap. Dat van een glooiende vlakte, verschroeid en platgewalst, hard als keramiek dat lag te blakeren in de zon. Hier groeide niet eens een sprietje gras. Dieper in het land lagen vier à vijf tanks vastgelopen en half verzonken in de modder van 1917. We stonden te kijken aan de rand van deze ‘sea of mud’. Het zicht was huiveringwekkend en nagelde ons voor enkele ogenblikken aan de grond.

We naderden het doel van onze uitstap nu met rasse schreden. Eindelijk rezen aan de horizon de stompe puinen van de lakenhalle en de Sint-Maartenskerk op. Aan de Bascule stonden een viertal barakken, de eerste hotels en meteen het eerste teken van leven. We gingen natuurlijk eerst een kijkje nemen naar ons huis. Van ver zagen we iets staan. Zou dat ons huis zijn? In tegenstelling tot alle andere woningen rees de voorgevel bijna ongeschonden op midden het omliggende puin. Alleen de trapgeveltjes waren afgebroken. Al het houtwerk was verdwenen, met uitzondering van een openstaand vensterraam op de eerste verdieping. De beide zijgevels bleken voor twee derden bewaard.

We herkenden zelfs nog het behangpapier. De achtermuur was evenwel tot aan de funderingen verdwenen. Een obus van zwaar kaliber was in de keuken terechtgekomen en had er een grote put geslagen. Niemand van ons sprak een woord, we keken gebiologeerd toe en legden herinneringen vast. Boven de kelder en de keldertrap waren arduinen deurdorpels en vensterkozijnen kruisgewijze opgestapeld tot ongeveer manshoogte. Op die manier was er een sterke abri ontstaan, geïmproviseerd door soldaten. Er was een toegang tot de kelder via de keldermond aan de straatzijde, maar het raampje was weg. De soldaten hadden ook een schoorsteen gestoken die in de gang uitmondde, zo hadden ze geen hinder van de rook gehad.

De vloer was netjes aangeveegd alsof ze de kelder nog maar pas verlaten hadden. Wanneer we alle stukjes van de puzzel bij elkaar legden, kwamen we tot volgend geheel; die soldaten moesten kanonniers geweest zijn, met onder kelder hun schuilplaats. Hun kanon – een zwaar stuk – had in de zwaar gehavende toren van Froidure’s sterrenwacht gestaan. Er liep een spoor vanaf onze achtergevel naar de toren waar een zwaar platform gegoten was. In onze tuin die maar 25 meter diep was telden we zes bomputten waaronder een zeer grote aan de hoek van onze ringmuur. Best verwonderlijk toch dat ons huis het enige was dat zo goed bewaard gebleven was. De overige huizen waren immers totaal verwoest.

Mogelijk was onze woning enigszins beschut geweest door de nabijheid van Froidure’s toren. Maar waar was het puin van die andere huizen naartoe? De Kalfvaartstraat bestond uit een middelvlak met kasseien en een aardeweg aan weerszijden – zomerweg – genoemd. Door het gerij op de zomerweg waren die zijkanten herschapen in modderpoelen. Om ze te verharden voerde men puin van de huizen er in en daar werd het vergruisd, vermalen en fijn gereden waardoor de rioolroosters verstopten. Bij regenweer lieten ze het water niet meer door en zo ontstond de fameuze ‘pappeloete’ die alle frontbewoners heldhaftig getrotseerd hadden. Bij lange droogte waaide het steengruis op in wolken die deden denken aan woestijnzand. We namen afscheid van ons puin en keerden terug naar Wevelgem.

Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1918-1924 · Uncategorized
banner