banner
mei 7, 2025
156 Views
Reacties uitgeschakeld voor Thuyndag 1933 – De Verrijzenis van Ieper

Thuyndag 1933 – De Verrijzenis van Ieper

Written by
banner

Zondag 6 augustus 1933. Om Ieper en deze glorierijke dag van vandaag te begrijpen, moest men die heerlijke stad gekend hebben voor de oorlog. Men moest tijdens ‘den Krieg’ getreurd hebben om haar vergane schoonheid en geteisterde grootheid. Vandaag zou men meejuichen met haar verrijzenis. Ik zag Ieper in vredestijd, met de vestingen, de versterkte wallen, de wateren met de langhalzige zwanen als sierlijke koninginnen drijvend langs de waterlelies met in de zomeravond die late jachthoorn, een middeleeuwse luidspreker die zijn lied uitgalmde.

De oude stede had veel vijanden en veel oorlogen overleefd. Als een vredestempel hoog boven het Westland, prijkte de statige kathedraal met de slanke toren ernaast, in het centrum van de stad, zwaarder dan een oud feodaal slot, een civiele burcht die nooit vreemde overheersing wilde dulden, de lakenhalle met haar belfort was een stad op zijn eigen, de kathedraal was een stad boven de steê.

Het was te schoon, het breekspel kwam. Op die praalgebouwen kwamen ‘kastaars’ terecht, groter dan de steen in de katapult die rondreed in de jubelstoet van de zondagavond. Het oorlogsmonster kon over de niet benutte bolwerken en kazematten op enkele dagen tijd het werk neerhalen van twintig eeuwen beschaving en hier gedurende vier jaren een triestige expositie van verwoesting houden. Men moest die akelige brand van een aloude stad gezien hebben, die allesverslindende vlammen en de dikke rook als een donkere rouw voor de ‘dood van Ieper’. Uren ver, tot over de Zwarteberg ging die rookpluim, panache zonder glorie, onheilspellende treurnis van de streek. De strijd was nog niet uitgeraasd, de gruwel van de verdediging spookte voort, schudde met reuzenarmen een hele stad uiteen en etaleerde de gruzelementen van heel haar verleden gebeiteld in de stenen.

Men moest Ieper gezien hebben in het jaar 1918, er in gewandeld hebben om de volle betekenis van vandaag zondag te begrijpen. Men zag toen dwars door hetgeen een stad geweest was. Hoe klein, hoe klaar scheen alles, en zonder geheim. Een stad zonder mysterie, waar niemand verdoolde, waar niemand vroeg naar de naam van de straten, een dode stad zonder inboorlingen, oneffen en lelijk als een lijk dat nog niet afgelegd was. Geestelijke en burgerlijke overheden stonden vandaag nog dichter bij elkaar dan de twee zinnebeeldige torens.

Ik heb ze het hoofd zien buigen, in dankbaarheid voor de overheden en magistraten, de bekende figuren die we ontmoet hadden als vluchtelingen in het volle gedrang. Te Poperinge, te Watou, te Abele en in het Vogeltje. Die Ieperlingen, ontsnapt aan het moordende staal, gevlucht of eerder nog uitgedreven door de militaire macht, die mannen die zo hielden aan hun Vlaamse haardsteden dat ze nog niet vertrokken toen de lavawalmen en het gulpend vuur op hen neerkwamen.

Ze verdienden zulk een ‘glorious day’. We hebben ook gedacht aan deken De Brouwer en zoveel anderen die niet teruggekeerd waren. Met de vele Engelsen gingen we naar de Menenpoort, de ophaalbrug van de doden, uit de Salient van Ieper, het Verdun van het Britse leger. Na 16u kwam hoog in de lucht een vlieger, hij had ons opgemerkt, maar hij wierp geen bommen. Als een ‘deus ex machina’ die een sigaret rookte liet hij witte watten shrapnelwolkjes achter. Zonder gevaar, als cirkeltjes door een liefhebber-roker uitgeblazen.

Het vliegtuig blonk als een ster… met een staart. Het toestel tekende letters die vergingen in de ijdele rook, als alle mensenglorie om ons nog hoger te laten uitkijken naar het azuur, ver boven de schone kleurrijke processie, en met deze gedachte dat er niets schoner was dan de hemel en al het onzichtbare ervan en dat er geen lichtreclame nodig was. Na deze heerlijke dag kwam men buiten de muren in de rijpende korenvelden terecht. De avondkoelte zeeg neer na de geestdrift en de hitte van de dag, als een zefier over de gloeiende vuurlijn en de schoven baden: ‘zeisen en wapens neer voor altijd!’. Zulke verdelging mocht nooit meer gebeuren. We keken nog eens om naar de heerlijke stad. Ieper? Hoe kon je zo schoon zijn en zo lieflijk lachen na zoveel smart? Dat was het raadsel van Ieper!

Al om 4u en 5u ‘s morgens werden in de Sint-Maartenskerk de eerste misvieringen gehouden en daarna omzeggens elk half uur in de diverse parochiekerken zodat velen reeds heel vroeg hun zondagsplicht konden kwijten. Om 9u30 kende de kathedraal de toeloop van de grote dagen en de gelovigen verdrongen zich er letterlijk om de pontificale hoogmis bij te wonen, begeleid van het gemengd zangkoor met groot orkest van Sint-Maartens. Deze overheerlijke plechtigheid maakte op de duizenden aanwezige gelovigen een onvergetelijke indruk.

Na deze dienst begaven de hoge gasten zich in stoet naar de dekenij en daarna stapten ze allen in de voor hen voorbehouden open rijtuigen en auto’s die enkele inwoners van de stad hen welwillend ter beschikking hadden gesteld om er eens een rondreis door de stad te doen. Zo konden ze de algemene versiering zien waar de jubelprocessie niet voorbij zou trekken.

De tocht ging eerst langs de Kaai, de Bruggesteenweg, Kalfvaart, Frenchlaan, Ligywijk en dan terug door de Menenstraat, Sint-Jacobstraat, Wenninckstraat, naar de Rijselpoort. Vandaar ging het langs het Zaalhof, door de Tegelstraat, de Dehaernestraat, Boomgaardstraat, Seminariestraat, Demontstraat, de Boterstraat en de straten gelegen bij het stationskwartier. Het moest gezegd worden; overal en niet het minst in onze volkswijken was er gewedijverd geworden om de versiering van de huizen en straten zo schoon mogelijk te maken.

Slechts weinige huizen die niet bevlagd of versierd waren, en dan nog stond in het merendeel ervan het H. Hartbeeld, met licht en bloemen omgeven binnen aan het raam te prijken zodat men waarlijk mocht zeggen dat de deelname aan Iepers Jubelfeesten algemeen was. Overal was het één bloem, één blad, één vlag en één wimpel.

Iedereen had echt zijn best gedaan maar we konden toch niet nalaten een bijzonder woordje te zeggen over enkele straten die om de grootse opvatting en de smaakvolle kunstzin van de versieringen opgevallen waren. Zo hadden we de Vandenpeereboomplaats die als door een gewelf van witte en rode rozen en van vlagjes overdekt was; de Boterstraat met haar talrijke zinnebeelden, kunstige koningskroon, kleurige bloemenkransen en zekere gevels met een rijke versiering van natuurlijke bloemen. De Demontstraat met zijn bijzonder vernuftige versieringsmasten en het zo prachtige baldakijn dat voor de ingang van de Paterskerk hing.

De de Stuerstraat met haar weelde van onze eenvoudige maar toch zo lieve veldbloemen, kunstig samengevlochten in kransen en korfjes; de Maloulaan met haar eigenaardige kolommen; de Lange en Korte Meersstraten, de Elverdingestraat, Boomgaardstraat, Rijselstraat, Dhondtstraat, Diksmuidestraat en nog andere waar sierlijke zegepoorten opgericht waren en waar men tal van mooie opschriften en chronogrammen kon lezen en waar het een zee van bloemen en groen was, een onbeschrijfelijke streling voor het oog van alle voorbijgangers die eensgezind hun grote bewondering te kennen gaven. Ook de Grote Markt verdiende een bijzondere vermelding voor haar geslaagde verlichting.

Dit is een fragment uit Boek 1925-1945 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1925-1945
banner