Zondag 11 november 1792.
Op Sint-Maartensdag vergaderden de Brabançons op de Grote Markt waar de boom van vrijheid geplant werd, met bovenaan op de top van de boom een rode muts voorzien van een zijden lint in drie kleuren: rood, blauw en wit. Die kleuren verbeeldden het wapens van de natie van Frankrijk. Mijnheer Malou stond met zijn zoontje onder de boom van vrijheid en hij las een proclamatie voor waarin behelsd was hoe de Brabançons gekomen waren om al de vrijheden, privileges en oude voorrechten die aan de Nederlanden van over zo vele jaren eigen waren aan de Nederlanden te doen herleven en Maria Christina met haar hele aanhang te doen ontruimen en de patriotten terug op te richten. Hij verzocht dit aan al de weldenkende burgers in wie hij al zijn vertrouwen stelde.
Hij vroeg dat men zijn zoontje die al zijn goed en leven ten beste wilde geven voor de welvaart van het Nederland zou aannemen na de dood van zijn vader, als trouwe voorstander van het Nederland en hem ter hulp zou komen als de nood dat zou vereisen. De gedachten van mijnheer Malou waren zeer goed. En het manifest van generaal Dumouriez was nog beter want die verbood absoluut geen veranderingen aan te brengen in de Nederlandse wetten en gebruiken. Maar Pieter Malou liet zich verdoven door een welsprekende Fransman die niets anders deed dan het voortdurend prediken dat men de nieuwe nationale constitutie zou aannemen en dat men in de plaats van de vergadering de zogenaamde club zou instellen waar eenieder zijn gevoelens zou kunnen zeggen over de vorm die de regering best zou kunnen aannemen.
De plaats werd gesteld op het gebouw van de Zale van de gewezen ‘sodaliteit van de gewezen jezuïeten’. De vergaderdagen waren de zondag en de donderdag voor diegenen die zich daar wilde vinden. Maar toen ze zagen dat de toeloop te groot werd, begon men er aan te denken om naast mijnheer Pieter Malou als president en zijn Franse predikant een nieuwe bedienaar aan te stellen, de zogenaamde adjoint van de club, waar apotheker Paulus Ameire de secretaris van was. Al diegenen die wilden een stem hebben of hun gedacht wilden voorstellen aan de president moesten een half kroonstuk per maand betalen om de kosten van de vergadering te betalen. Ondertussen zag men van alle kanten geschriften binnenbrengen met mondelinge stemmen over wat er deze tijd te doen stond.
Men was zo verheugd dat men meende de vrijheid teruggekregen te hebben. Pieter Malou keek helaas niet verder dan zijn neus lang was. Mijnheer Ameire die de protestantse religie geleerd had in Engeland doorsnuffelde wel dagelijks de boeken van de aartsschelm Voltaire en was iets anders van plan. Ondertussen liet Pieter Malou al de huizen van de stad naar het voorbeeld van Frankrijk nummeren en er werd bevolen dat vanuit deze nummers de stad zou ingedeeld worden in 27 wijken. En dat elke gemeente op zijn wijk een wijkmeester en twee assistenten zou verkiezen om in tijden van nood elkaar te komen vervangen. Ook werd bevolen dat men door de gemeenten een nieuwe voogd en schepenen zou kiezen volgens de oude conscriptie van West-Vlaanderen.
Met dat verschil dat de wijkmeesters nu zouden dienen in de plaats van de raad van de zevenentwintig die dat tot nu toe gedaan hadden. Na deze vergadering waren er nog meer andere gevolgd. De vergaderingen voor het verkiezen van de wijkmeesters en voor het stemmen voor een nieuw magistraat werden gehouden in het stadhuis en werden daar goedgekeurd. De zogenaamde vijgen en de tegenstanders van de patriotten spanden al hun krachten samen om de patriotten te blokkeren in hun pogingen om de Franse constitutie aan te nemen ter vernietiging van de religie. Ze bleven genegen om het plan van keizer Jozef II uit te voeren. Het nieuwe magistraat werkte integendeel om het gemeente in rust te houden en de lasten zo veel mogelijk te verzachten. In dit verband gaven ze een ordonnantie uit waarbij gezegd werd dat voortaan niemand meer een vrijstelling zou krijgen van de rechten op bier en wijn, er zouden geen uitzonderingen meer zijn, noch voor de geestelijken, noch voor wereldlijke personen, zonder uitzondering van welke persoon die ook mocht zijn.
De gemeenten waren daarover wel tevreden maar dat was niet het geval en ging tegen het gemoed in van de keizergezinden die niets anders probeerden dan de clubs te boycotten en de voornemens van mijnheer Malou en generaal Dumouriez te verijdelen. Diezelfde generaal Dumouriez nam ondertussen het hele Nederland onder zijn bevel tot aan de provincie van Luxemburg. Die van de clubs zochten voortdurend alle middelen om de Franse regering binnen te loodsen. Ze begonnen met aan voorzitter Malou diverse brieven ten zijne laste naar voren te brengen waarbij ze bewijzen aanbrachten dat hij een verrader van het land was en niets anders zocht dan de Fransen in slaap te wiegen en het land aan de keizer terug te geven.
Toen Pieter Malou dat hoorde, vertrok hij met de tranen in zijn ogen, zeggende dat hij zich daarop zou verdedigen maar dat hij op de volgende vergadering moest weten wie deze beschuldigingen had geuit. Toen de volgende vergadering aangebroken was, nam secretaris Ameire het woord en zei dat hij diverse brieven en geschriften had opgezocht die aan de beschuldigde gericht waren. Maar dat het vreemd was dat zoveel mensen precies hetzelfde schreven alsof ze door dezelfde meester geleerd waren. En daarmee was deze kwestie achtergebleven. Ondertussen was in onze stad een zekere citoyen Lemaire aangekomen, een herbergier uit een kelder van Duinkerke die hier kwam logeren in het bisdom.
Hij gaf zichzelf de eretitel van commandant. Hij had twee nationale commissarissen bij zich, mannen die van even groot gezag waren als hijzelf. De ene was een smid, genaamd Harou Romains en de andere was een schoenlapper genaamd J. Mondrillion. Dat waren de mannen die de vijgen nodig hadden om de patriotten helemaal uit te roeien en het plan van Jozef II ten opzichte van de katholieke religie ten uitvoer te brengen. Met de aankomst van deze drie fraaie mannen begon men overal uit te strooien dat de keuzes die de gemeenten gedaan hadden niet wettig waren en dat commandant Lemaire genoodzaakt was om een nieuw magistraat aan te stellen, zonder de zegen van de gemeenten. De verraders of de zogezegde vijgen hadden het dan al opgegeven om de gemeenten te stillen en om Pieter Malou in hun zak te steken.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


