Dinsdag 6 september 1566. Het was zo voorgevallen dat de vermelde edelmannen die gelogeerd hadden in ‘Het Zweerdeken’ daar nu aan tafel zaten in de voorkamer. Terwijl ze daar vertoefden, was er een grote menigte opgedoken op de Grote Markt. Allemaal nieuwgelovigen die voor de herberg met overluide stemmen Vlaamse psalmen begonnen te zingen. En daarop sprongen de edelen naar buiten om nog van dichterbij deze psalmen te aanhoren. Toen die edelmannen zich naar de lakenhalle begaven, moesten ze zich over de Grote Markt begeven tussen een massa van andersgelovigen, waarvan er één ‘vive les gueux!’ riep, met zo een luide stem dat de wetsheren die in de schepenkamer vergaderd zaten dat konden horen.
De heer Vendeville liet verstaan dat ze met de beste bedoelingen gekomen waren om de vrede, de rust en de eendracht tussen die van de oude en de nieuwe religie te herstellen, conform de belofte die de geconfedereerde edelmannen gedaan hadden aan onze gouvernante. Ze wezen hen op een eerder verzoek van de sektarissen om enkele kerken te bouwen in de stad om daar hun eigen diensten en sacramenten op hun wijze te mogen uitvoeren.
Ze overhandigden een document waaruit moest blijken dat de graaf van Hoorn diezelfde afspraak had gemaakt in Doornik en ze vroegen of de wet van Ieper hen hierin zou willen volgen. De heer Vendeville en de andere edelmannen zonderden zich nu af in een andere kamer van de lakenhalle. Ondertussen zonden die van het schepencollege twee wethouders en de griffier ernaartoe om na te gaan of onze hertogin effectief een afspraak had gemaakt met deze edelmannen. Waarop de heer Vendeville antwoordde dat de heer admiraal van Hoorn hem schriftelijk gelast had om naar Ieper te komen en dat hij jammer genoeg zijn brieven niet had meegebracht.
Ondanks het ontbreken van die bewijzen waren de Ieperse wetsheren bereid om tot afspraken te komen om alles in rust te stellen. Nadat ze teruggekomen waren in de schepenkamer ontsponnen zich hele discussies over de stadsmilities die Ieper op eigen initiatief in dienst had genomen en bleven ze bij hun eisen dat de calvinisten twee kerken zou mogen hebben binnen de stad, iets wat door de gouverneur al bij wet was toegelaten. Uiteindelijk besloot de heer Vendeville om in Ieper te blijven in afwachting van de komst van de graaf van Egmont.
Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper


