banner
mrt 3, 2025
166 Views
Reacties uitgeschakeld voor Toen Ieper nog Ieper was

Toen Ieper nog Ieper was

Written by
banner

De herinneringen uit het verleden en die beelden uit Vlaanderen welden onweerstaanbaar op…. Arm Langemark. Het was er nu allemaal puin, hels gedonder. De Fransen beschoten het weer dezer dagen… De Duitsers zouden er van gebruikmaken om de Buschkanter op te hitsen tegen onze geallieerden. Maar zouden daar niet in slagen: Vlaming en Duitsers werden nooit als ‘Hakke en zijn Makke’… Dubbel wreed echter de oorlog voor hen die hun huisje zagen branden, aangestoken door vriendenhand. Maar men zag het gelaten aan. Hopend dat uit al die duizenden branden één groots ideaal zou geboren worden: de vrijheid!!

Er zou nu wel geen enkele bolletra meer gaaf zijn in Langemark. De pannendaken waren ingestort en de huisjes lagen neer. De mensen zouden er eigenlijk niet meer om geven. Hun zorgen waren elders en ze waren nu al over zoveel ellende heen. Maar toen Ieper nog Ieper was. Toen zagen de Ieperlingen als ze terugkeerden van Langemark, boven de velden één voor één de torens van hun schone, grijze stad oprijzen. De plompe Sint-Maartenstoren die even hoog wou uitsteken als de naald van de vierkante massa van ‘t carillon van de lakenhalle, de oude Romaanse Sint-Pietersspits te midden van haar vier kleine hoektorentjes, de stevige reus die eens de Sint-Jacobskerk was en de even onder het kruis bolvormig zwellende naald van Sint-Niklaas. De jongste tijding die me uit Ieper bereikte was, dat alles er nu definitief plat lag.

Het allerlaatste huisje dat zich nog rechtop gehouden had, was gevallen als een laatste wacht op het slachtveld. De ‘torren’ waren eerst neergestort, de grijze hoofden die niet te verdelgen leken. En geen mens mocht er binnen, in het Vlaamse, droevige Pompeï. Toen ik gisteravond thuiskwam, zat daar een oud moedertje uit Ieper. Wat een klein miezerig vrouwtje was het! Heel ‘ineengestopen’, met een zwart halsdoekje om het oude hoofd. Ik had ze in de halve duisternis eerst niet eens opgemerkt. Ze leek op een hoopje zwart in het grauw van de avondschemering. Ze was pas overgekomen uit Noord-Frankrijk en had gehoord dat hier een Belg woonde.

Ze wilde kennismaken. Dat kleine, sombere wezen verpersoonlijkte voor me enkele momenten al de Vlaamse oudjes die bukten onder het gewicht van de oorlog. Haar uitgemergeld gelaat was één rimpel. Doorschijnend waren haar bleke, knokelige handen. Maar toe ze sprak, wat vloeide het zacht en zeer schone, haar zoete, onverbasterde West-Vlaams. ‘Ik zin ekomme om joen te bezoeke, meneire. En ‘t doe mi toch zukke plezier ne Vlamink te zien… Peinsde ki, mi zin toch zoo verre van ‘us. En dat a min oede! Ga’k nog van me leven Iepre werezien? Olles is er plat nu. ‘t Latste uzetje is innestort. Wuk è ruïne! Zukke schoon steetje lik dat Ipre wos. ‘t Is nu heel dood… De utklinker van de pest op de schilderinge van Pauwels is nu zelve dood … hij ga nu nooit mi bellen …’

Terwijl dat moederke sprak, zag ik voor mij rijzen de fantastische figuur van een zwarte man die, door de lucht luidde: ‘Vlaanderen! Breng uw dode steden buiten!’. En daar kwam Vlaanderen aandragen met een droeve baar. Daarop rustte een lijk. Niet huiveringwekkend groen als dat van de pestlijders van Ieper die, in de lakenhalle op het schilderij van Pauwels afgebeeld stonden… Nee. Het was heel zwart en deerlijk: het lijk der stede Ieper. En ik hoorde aldoor de klok van de gedachtenis luiden over de kloeke, oude Vlaming die voor haar land gestorven was.

Dit is een fragment uit Boek 1916-1917 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1916-1917
banner