Maandag 17 mei 1915. Vanavond – na een rustperiode van 72 uur – mochten de mannen van de 1st Cavalry Division te Vlamertinge weer door Ieper marcheren om opnieuw hun posities in de loopgraven op te nemen. Het was sinds de slachtpartij van de 13e relatief rustig gebleven aan de Ieperboog, hoewel de houwitsers met een vervelende regelmaat op onze lijnen bleven terechtkomen.
Ik werd door generaal de Lisle naar een woning in het Ieperse gestuurd waar we vanavond een hapje zouden eten vooraleer dan verder te trekken naar onze nachtelijk hoofdkwartier langs de Menenstraat. Bij navraag waar dat kwartier zich precies bevond, verwezen ze me naar het dichtst bijgelegen huis bij het kasteel langs de ‘halte’ waar de spoorweg kruiste met de baan Ieper-Menen. Ik kon het niet missen.
De generaal was ergens te voet verdwenen en de duisternis viel in. Ik reed nu door Ieper, met de lichten gedoofd want die waren niet toegelaten. Dokkerend van begin tot einde over de vernielde straten. De straten puilden uit van de voertuigen en materiaal van een divisie die zich naar zijn rustkwartieren begaf. Ieper zelf leek nog meer verpletterd, hoe was dat nog mogelijk na mijn laatste passage van zes dagen geleden. Van aan de Grote Markt tot aan de Menenstraat en voorbij de vork was het pad nauw en kronkelig, aan beide kanten omringd door enorme stapels steenresten afgewisseld met kloven waarvan sommige zo diep waren dat je er best niet kon inrijden.
Een onaangename stank van brandend vlees waaide me tegemoet op mijn weg naar de halte. Vuurpijlen en loopgravenlichten van aan de vuurlijn maakten het mogelijk om de weg te zien. Zonder die begeleiding zou ik de trip zeker niet zonder ongevallen kunnen hebben maken. De woning waar we de volgende acht dagen zouden verblijven was eenvoudig om vinden. De officieren van de 80th Infantry Brigade waren druk in de weer om de plaats op te ruimen, het was een huis van stevige bakstenen, aan de buitenkant lelijk toegetakeld, voorzien van een kelder met een laag plafond. Het rook er muf maar de kelder was toch redelijk veilig voor granaatvuur.
In dit ondergronds heiligdom zag ik de wiegende lichtjes van een tiental kaarsen die wat klaarte brachten over drukbezette tafels waar ik seingevers zag zitten. Ze telefoneerden niet maar lagen met hun hoofd te slapen op hun gekruiste armen die op tafels rustten. Aan andere tafels stonden officieren druk te overleggen rond openliggende landkaarten.
Tegen de muur zag ik drie of vier bedsponden met matrassen die aan de staat van vervuiling te zien al een hele reeks Britse militairen hadden moeten verdragen, van officieren tot soldaten. Een batterij Britse kanonnen stond dichtbij aan het bulderen en de Duitse granaten zo dicht van onze hoofdkwartier vielen dat hun constante explosies telkens weer onze gesprekken onderbraken. Ik moest wachten op verder nieuws van generaal de Lisle tot de kapitein van het Signal Corps arriveerde.
Die vertelde me dat hij zich in een huis ophield dat gelegen was aan de rechterkant van de weg, bij het wegrijden aan de westkant van de straat. Ik verloor geen tijd en ging hem opzoeken. Mijn terugreis bleek veeleer een slechte droom. Met houwitsers die langs de kant van de Menenstraat vielen, net op onvoldoende afstand om de constante stroom van troepen, munitie, voedseltransporten, paarden- en mechanisch vervoer, ambulances, motorfietsen en wagens te raken.
Een vermoeiende van-huis-tot-huis zoektocht leidde me uiteindelijk naar de doening waar het avondmaal al afgelopen was. Ik kreeg nu de opdracht om een deel legerbagage over te brengen naar de Menenstraat. En dus moest ik voor een derde keer door Ieper ploegen in de richting van de halte waar ik uiteindelijk de Lisle aantrof.
…. Na de bloedige slag rond Ieper, de bloedigste van de veldslagen in Vlaanderen sedert de gevechten aan de IJzer van oktober, was een kortstondige rust ingetreden. Maar de soldaten hadden niet lang vrijer kunnen ademen. In de eerste meidagen herbegon het offensief van de geallieerden langs het IJzerkanaal. De Duitsers kwamen nu met grote legermachten steeds nauwer opzetten om Ieper in te sluiten en te veroveren. Dag en nacht dreunde het kanongebulder en zaaide het dood en vernieling kilometers in het rond. Het zwaar geschut van de geallieerden had Sint-Juliaan, Zevekote, Zonnebeke, Veldhoek,… in vuur en vlam gezet met het doel de vijand achteruit te slaan.
Van zijn kant schoot de Duitse artillerie Sint-Jan, Kruipendaarde, de Potyze, Zillebeke en Ieper tot puin en bereikte nu en dan nog verder afgelegen plaatsen als Boezinge, Brielen en Vlamertinge. Een dezer dagen bezocht ik de omgeving van het oorlogstoneel. Diep treurig was de sombere tragedie die er zich afspeelde. Hele kolonnes infanteristen, Britten en Fransen trokken naar de vuurlinie om de gaten aan te vullen die in de gelederen geslagen werden en ondertussen kwamen hele autobussen rood van het bloed terug met hun ladingen zwaargewonden.
De inwoners van Ieper en Vlamertinge die tot na de slag van eind april ter plaatse gebleven waren, trokken dan uiteindelijk met zware pakken beladen en kruiwagens vooruit stotend op zoek naar de veiligheid, waar ze die zouden vinden, wisten ze niet.
Onder hen zag ik ouderlingen van zeventig en tachtig jaar die – door meisjes ondersteund – pijnlijk voort strompelden. Nabij Vlamertinge vervoerde een boer een akelige vracht; zijn zoontje die thuis door een houwitser doodgeslagen was. In het half ontruimde Poperinge trof een zwaar projectiel een verpleegster in het gasthuis en vermorzelde haar. Toen men toesnelde vond men alleen nog maar een hoop vleesklompen.
Tussen Boezinge en het kanaal, waar einde april de Fransen en Belgen zich op leven en dood tegen de overrompeling van de Duitsers verweerden, sneuvelden de Duitsers en de geallieerden met honderden. In het water dreven nog lijken van Duitsers, maar niemand durfde er hen uit te halen want ook zij zouden vallen onder het moordende lood.
Opmerkelijk was hoe snel de doden aan het zicht van de levenden werden onttrokken. Twee dagen na de slag vond men rond Boezinge in het kanaal geen enkele dode meer. Allen waren ten spoedigste onder de aarde gestopt. Maar toch liet de mensenslachting nog zijn sporen achter. De akkers van de omtrek waren platgetrapt, loopgraven overhoop geschoten. Langs alle kanten lagen met kogels doorboorde kepi’s, verscheurde ransels, gebroken geweren..
Langs de wegen vonden paarden van munitie- en transportwagens de dood. Het zicht van de getroffen dieren was walgelijk. Hun lichaam zwol buitenmate, de glazige ogen puilden vol waanzin uit het hoofd en langs de uit de muil hangende tong liepen nog beekjes bloed. En waar men ook het oog richtte, vloekend met de feestelijke tooi van de natuur, ontwaarde het oog niets anders dan puin, rook, vuur en ademde men slechts de benauwende atmosfeer van de oorlogsfurie.
Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper


