Dinsdag 18 juli 1775. Men had een jonge juffrouw verdronken gevonden. Met name Josephine Ghysel. Ze was een rijke wees, geboortig van Kaaskerke bij Diksmuide en ze kocht hier haar tafel in de Boezingestraat. Men beweerde dat ze op trouwen stond met een smid van Diksmuide, maar haar vrienden wilden dat beletten en hadden haar vier maanden geleden naar Ieper laten komen. We hoorden hier vertellen dat ze daarom mistroostig was, dat ze met een zachte dood wou kunnen sterven en dat ze zichzelf zou verongelukken. Diksmuide-kermis was op komst en daarom was er van daar een bode naar Ieper en de woning van Josephine Ghysel gekomen.
Ze vroeg hem waarom ze niet uitgenodigd was op deze kermis waarop de bode haar het antwoord schuldig moest blijven. Dat maakte haar nog meer mistroostig en ze was diezelfde ochtend om 9u met kap en mantel vertrokken uit haar huis en ze arriveerde uiteindelijk op de vestingen achter de Boterpoort bij het water genaamd de ‘Trog’ waar ze haar kap en mantel had uitgedaan en netjes gevouwen had.
Ze deed hetzelfde met haar opperste rok die ze ook naast het water legde. En dan was ze in het water gesprongen en had ze zichzelf verdronken. Op diezelfde dag vond iemand deze kap, mantel en opperrok, maar de vinder hoorde pas de volgende dag vertellen dat er een jonge vrouw vermist was en misschien wel verdronken. De vinder had dan haar kleren naar de pastoor van Sint-Niklaas gedragen. Drie dagen later was er een soldatenjongen van de Schotten aan het spelen toen hij in het water een rok zag drijven.
Hij liep naar huis en vroeg aan zijn moeder of hij een haak mocht hebben omdat hij daar een rok had zien liggen in het water die ze eventueel zou kunnen gebruiken. Toen deze jongen met zijn haak die rok naar de oever trok ontdekte hij het dood lichaam. Het magistraat werd op de hoogte gebracht en had het lichaam laten schouwen. Na de middag volgde de ‘zinking’ op het kerkhof van Sint-Maartens waar ze nu begraven lag.
Dit is een fragment uit Boek 1600-1784 van De Grote Kroniek van Ieper


