banner
mrt 15, 2026
70 Views
Reacties uitgeschakeld voor Grote benauwdheid bij de burgerij

Grote benauwdheid bij de burgerij

Written by
banner

Woensdag 17 juni 1744. Koning Lodewijk XV was vanavond aangekomen in zijn kamp te Vlamertinge. Samen met maarschalk de Noailles en graaf d’Argenton hadden ze de kaarten bestudeerd die hem voorgelegd waren, samen met de diverse graafwerken die ze de voorbije dagen uitgevoerd hadden langs de twee aanvalslinies richting Ieper. De koning ordonneerde dat hij nog diezelfde avond en de volgende ochtend een rondgang zou krijgen in de loopgraven met de vlaggen.

De twee aanvallen moesten uitgevoerd te worden aan de kant van de Neerstad. De aanval links – de koninklijke aanval – spitste zich toe op het hoornwerk van Elverdinge en de linkerkant ervan, dat van Belle. De frontlijn van deze aanval bedroeg 1.350 meter of 700 à 800 ‘toisen’. En de aanvalslijn links met de graaf van Clermont in bevel, strekte zich uit van daar tot aan het kanaal van Boezinge.

De prins van Hessen, Philipps-Thal die de commandant van Ieper was, had niet eens de tijd gehad om bomen te kappen en hagen te ruimen die de voorste werken konden camoufleren om dicht bij Ieper te komen. Maarschalk de Noailles had ervan geprofiteerd om over de hele breedte van de koninklijke frontlijn redoutes aan te leggen, waarvan de verst gelegen exemplaren zich maar op 250 meter van de Ieperse palissaden bevonden.

De belegerden hadden hun infrastructuurwerken pas op 15 juni opgemerkt toen de Noailles het bevel had gegeven om communicatielijnen aan te leggen tussen de diverse redoutes en toen de Fransen begonnen waren met het plaatsen van batterijen op deze communicatielinies. Die vormden nu de eerste parallelle lijn met de tranchees. Sinds de dag dat ze begonnen waren aan hun beleg hadden de belegerden niet opgehouden met schieten op de plaatsen waarvan ze dachten dat de Fransen zich aan het ingraven waren. Ze hadden de voortgang van de werken van de linkse aanvalslijn bemerkt en hadden het schieten verdubbeld, zonder al te veel succes.

Vrijdag 19 juni 1744. De loopgraaf werd vrijgemaakt voor de koninklijke aanval, door twee bataljons van het regiment der Zwitserse garde, vijf Ierlandse bataljons, een detachement van de eenheid van de koninklijke garde die grenadiertaken hadden uitgevoerd, de Grenadiers van het regiment van Rohan en honderd Dragonders. Deze troepen stonden onder het bevel van luitenant-generaal graaf de la Mothe Houdancourt en maarschalk Chiffreville.

Ze groeven op drie verschillende plaatsen 700 meter aanvalsloopgraven en ze naderden daarmee via linkerflank van de stellingen aan het hoornwerk van Elverdinge, op de verlenging van de open weg aan de linkerkant van deze versterking, samen met de stellingen bij de Neerstad. De Fransen hadden beslist om aan te vallen via een halvemaan die zich situeerde bij de voortzetting van de graafwerken.

Daarom liet men om middernacht twee compagnies Grenadiers van het regiment van Rohan, dat van Rooth en twee piketten van Ierse regimenten naar ginder stappen. Deze troepen namen de halve maan in en schakelden de vijanden uit met de nodige inzet en enthousiasme.

Daarbij waren ze een hele tijd blootgesteld aan het geschut vanuit Ieper-stad en dat van de overdekte weg. Bij de vijand waren er vijftig gewonde of gedode soldaten. De mannen bleven achteraf in de veroverde halvemaan en groeven er een communicatieloopgraaf, in een rechte lijn van 140 meter. De koning had een beloning verleend aan deze troepen en ze kregen een onderscheiding omwille van hun actie.

De hele nacht lang hadden de kanonnen en mortierlanceerders van de koninklijke aanvalslinie ononderbroken gevuurd. Ook aan de linkerkant werd een toenadering uitgevoerd door de manschappen van luitenant-generaal de Fenelon en maarschalk de Pontchartrain. Dat gebeurde met de twee bataljons van het regiment van Orléans. Ze legden heel wat loopgraven aan en maakten zich meester van de waterrijke flank dicht bij de oevers van het kanaal van Boezinge. Daar installeerden ze twee batterijen, één met kanonnen en de andere met mortierlanceerders die de volgende ochtend met hun geschut van start gingen.

Zondag 21 juni 1744. Voor de middag werd er vergaderd door het Groot Gemeen. Op dat moment werd ten huize van de commandant een oorlogsraad gehouden. Er was sprake van een grote benauwdheid bij de burgerij van de stad. Er was opnieuw grote schade aangericht door de inslagen aan kerken, kloosters en huizen. Sommige kleine woningen werden helemaal verpletterd.

Met kondigde aan het garnizoen van de stad Om het garnizoen moed in te spreken in hun gevechten tegenover de vijand, lieten ze weten dat de troepen van onze genadige koningin afdaalden naar deze stad. De geallieerde troepen – te weten 20.000 Engelsen en 20.000 Hollanders – waren op komst ter assistentie van het garnizoen van de stad en om de vijand te verjagen. Maar dat bleek vergeefse hoop. Het had god niet beliefd vermits er zich niemand had gepresenteerd.

Na lang verlangen naar de komst van de genaamde 40.000 mannen, zagen de garnizoenssoldaten dat daar geen sprake van was. Indien die versterking er niet zou komen, dan zouden ze zich gewonnen moeten geven, ondanks de wetenschap dat ze zich tot nu toe goed verdedigd hadden tegenover de vijand.

Om de soldaten een goede moraal te schenken, kregen ze nu allerlei soorten van ammunitiebrood, vlees, rijst, grootbier, jenever, pijpen en tabak boven hun gebruikelijke soldij waardoor iedereen de moed hernieuwde om verder de strijd aan te gaan tegen de vijand. Maar daarbij moest ook gezegd dat op het moment dat ze de vijand moesten gaan aantasten, velen al zat en dronken waren van de jenever die ze bovenmatig gedronken hadden.

Bij velen waren de gemoederen grotendeels bedrukt. In de wetenschap dat ze als klein garnizoen tegen zo een machtig leger niet veel konden uitrichten. In hun eigen fortificaties en de contrescarpen van de stad stonden ze alleen maar klaar om te sneuvelen.

Veel particulieren hadden hun huizen gesloten tegen mogelijke voorvallen, gevaar of perikelen. De zolders van de Berg van Caritate waren voorzien van bedden of matrassen tegen het risico van brand met daarbij ook bewakers die te vertrouwen waren. De lombaard waar men alle soorten van groot en klein goed droeg op intrest in het terughalen of te lossen, was vooraan tegen de deuren voorzien van paardenmest, wel tien à elf voeten hoog, wat ook het geval was op de zolder in het gezelschap van getrainde bewakers.

Sommige van de particulieren maakten kazematten om beter hun leven te kunnen redden en eveneens hun meubels en koopwaren te beschermen. Bij menige mensen die kelders bezaten, hadden ze getracht om zich erin te verschuilen. Veel bakkers hadden enkel maar gebakken als de burgers hun bakten kwamen brengen naar de bakkerij, die ze dan zelf ook opnieuw moesten komen ophalen.

… De tranchee van de koninklijke aanvalslinie werd afgelost door luitenant-generaal Cherisey en veldmaarschalk Montgibault, met de drie bataljons van het regiment van Rohan, twee van de kroon, een van de Noailles, twee eenheden Grenadiers van andere regimenten met Lansiers en Dragonders. De koning spendeerde bijna vier uur met het onderzoeken van zijn aanvalslinie en het front en met het bestuderen van de effecten der batterijen.

Zijne majesteit had alle aanvalswerken doorlopen en leek bijzonder tevreden. De tweede parallel was uitgelengd tot aan de dijk van het kanaal van Boezinge en er was een verbindingslijn van een kleine 400 meter gegraven die kon dienen voor een nieuwe batterij op de tweede parallel die zich voor de opening van het hoornwerk van de Neerstad bevond. Luitenant-generaal Chabannes en veldmaarschalk Tresmes hadden de aanvalsloopgraaf aan de linkerzijde bezet. Dat gebeurde met twee bataljons van het regiment van Orléans, de regimenten van Montboissier en Nivernois, twee eenheden Grenadiers en honderd Dragonders.

Maandag 22 juni 1744. Vannacht werd er vervaarlijk geschoten en gebombardeerd waardoor alle burgers opnieuw in grote benauwdheid waren, vermits er alweer nieuwe schade voortkwam door het kanon en de bommen. Vandaag was de vrouw van Gorin Verhaeghe in een kelder bevallen van haar kind en ook de vrouw van molenbouwer Baes de Lye was bevallen. Beiden woonden in de Zuidstraat.

De monniken van de abdij van Sint-Jan waren gevlucht naar het klooster van de predikheren. De Roesbrugge nonnen vluchtten in het Sint-Jansgodshuis bij de Mesenpoort. Een groot deel van de paters augustijnen vluchtten eveneens naar de predikheren. De buurt van de paters augustijnen, te weten een deel van de Luikstraat en diegenen wonende rechtover hun klooster, vluchtten in de ommegang van hun convent. Veel van de buren van de grauwe zusters namen hun intrek in het klooster van de grauwe zusters. De nonnen of de grauwe zusters van dat klooster gingen bij sommige particulieren in de stad.

Er werden vandaag veel Hollanders doodgeschoten. De Fransen namen in de loop van de dag het fort van de drie zotten in. Bij de vijand sneuvelden er 300 Fransen. Het leek in de stad op een algemene vlucht. Elkeen liep naar de zekerheid van de Sint-Pietersparochie. In zoverre dat er arme personen waren die hun rustplaats uitkozen op het kerkhof van deze parochie. De paters recolletten waren eveneens gevlucht, een deel naar de rijke klaren, een deel naar de arme klaren en een deel naar de predikheren. Veel treffelijke personen gingen in het klooster van de karmelietessen. Sommige kanunniken vluchtten naar het klooster van de jezuïeten.

Die dag hadden de Fransen het fort Malegijs ingenomen. Een kapitein van de Zwitsers, met name de heer Conninck werd dood in de stad gebracht. Hij was klein van postuur maar redelijk dik en vet, het was precies een postuurtje uit de twaalf maanden. Hij werd nog dezelfde dag begraven in de tempel, genaamd de gereformeerde kerk. De man was de avond zoals voorzien met een wachter in de contrescarpen gegaan. Op die dag hadden de Fransen het paddenfort ingenomen waarvoor ze veel volk gelaten hadden.

Dit zijn fragmenten uit Boek 1600-1784 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1600-1784
banner